Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze veranderingen ondergaan de zaaddraden alleen in water en in vloeistoffen, welke door haar watergehalte schadelijk werken. Na andere wijzen van sterven en na den natuurlijken dood blijven zij regt uitgestrekt. Met regt noemt derhalve v. Siebold de beweging van het in en uit elkander rollen hyrjroskopisch; zij zijn het gevolg van het opzuigen van water en a priori laat zich daaruit afleiden, dat de schadelijke werkingen van het water achterwege blijven, wanneer het indifferente stoffen in genoegzame hoeveelheid houdt opgelost, en dat in organische vloeistoffen van afwisselende concentratie, zoo als urine, speeksel, gal, de zaaddraden nu eens sterven, en dan weder niet (1). Zij gaan dood door verdunde zuren en alkaliën, door de laatste sneller, en Donné is zelfs van meening, dat het alkalische slijm, dat in de vrouwelijke geslachtsdeelen bij congestie en irritatie in plaats van het normale, zwak zure secretum wordt aangetroffen, de zaaddiertjes doodt en eene oorzaak van onvruchtbaarheid zou kunnen zijn (2). Galvanisme tast ze niet aan, behalve door het aan de positieve pool vrij wordende zuur (5). Zij sterven spoedig door wijngeest, opiumoplossing (Lampferhoff), aqau Laurocerasi, en strychnine (Wagner). Het duurt lang, eer zij door rotting te gronde gaan. Donné kon ze zelfs na 5 maanden in rottende urine nog erkennen. Voorzigtig gegloeid, blijft er eene asch van den vorm huns ligchaams over (Valentin) (4).

(1) Donné beweert ('Nouv. exp. p. 7) t dat zij in speeksel en urine sterven ; Valentin stemt ten opzigte van het speeksel met hem overeen (iV. A. Nat. cur. XIX, P. I, p. 239); Wagner (Phys. p, 111) vond liet tegendeel. In Hoed, melk, etter en slijm leven zij lang (Donné); suiker- en zwak zoutwater brengen minder uitwerking te weeg dan water, of soms zelfs in het geheel geene (Wagner), al naar den graad van concentratie. LAMPFEimorF zag ze in zoutoplossingen sterven, maar niet in speeksel.

(2) t. a. p. p. 11.

(3) Prévost en Domas, Meck. Arch. 1823, p. 465.

(4) De zaaddraden van alle dieren verhouden zich bijna eveneens tegenover de opgenoemde reagentia. Vreemd genoeg worden zelfs de zaaddraden der vissollen door water, hoewel dan ook iets langzamer, op de beschrevene wijze aangedaan ; bij drooging vloeijen zij even als vele lagere infusoria uiteen , worden breeder, en nemen allerlei onregelmatige gedaanten aan (Ddjardin, t. a. p. p. 300). De zaaddraden van Planorbis worden volgens KölllKER door strychnin-oplossing niet gedood (Beilr. p. 68).

Sluiten