Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitzet (tot 0,02'" Wagner , 0,02—0,05"' Kölliker) , neemt ook het aantal der binnen in hen bevatte bolletjes of dochtercellen toe. (1) Somtijds munten de laatste door eene centrale vlek (2) uit en zijn dan overigens bleeker dan gewoonlijk (Kölliker). In elk van hen ontwikkelt zich een zaaddraad. De wijze, waarop dit geschiedt, heeft Kölliker bij het Guineesche biggetje naauwkeurig nagegaan. (3) De dochtercellen hebben hier 0,0055—0,005"' middellijn , en zijn met bleeke , maar afzonderlijk goed waarneembare, rondachtige korreltjes gevuld. Vooreerst verdwijnt langzamerhand deze fijnkorrelige inhoud, terwijl zich te gelijk de zaaddraad in spiraalvormige kronkels tegen den celwand afzet. Veelvuldig ziet men celletjes, die vooral aan éénen kant eene sterke ophooping van korrels hebben , terwijl het overige der cel zich als ledig voordoet. De korrels zouden, zoo als Kölliker meent gezien te hebben, onmiddelijk door in een te smelten, het ligchaam van den zaaddraad vormen. De gevormde zaaddraad ligt steeds zeer digt tegen den wand der cel aan ; hij maakt meestal twee en een halven omgang; gewoonlijk echter vertoont de cel zich zoo aan het oog, dat men het ligchaam van den zaaddraad van ter zijde ziet, en slechts één omgang van den zaaddraad te zien krijgt. Dit hangt daarvan af, dat de cellen, die met de ontwikkeling van den zaaddraad eene meer linsvormige gedaante hebben aangenomen, meestal op een hunner vlakke zijden liggen, waar de omgangen van den draad elkander bedekken. (4)

Volgens mondelinge mededeeling heeft Kölliker ook bij den mensch de zaaddraden zich op dezelfde wijze als bij het Guineesche biggetje zien ontwikkelen. De korrelige cellen (dochtercellen) , waarin de afzonderlijke zaaddraden zich vormen, hebben eene middellijn van 0,0025—0,0033'". In den bal hebben de korrelige cellen de overhand, in het vas deferens de opgerolde en

(1) Wagner, Moll. Arch. PI. IX, c. d. f. Icon, phys. Tab. I, fig. V. d.—-ƒ. Haumann, Muil. Arcli. 1840, Tab. XX, fig. 3. Vaientin, N. A. Nat. cur. P. I, Tab. XXIV, fig. 3.

(2) R. Wagner, Icon. Phys. Tab. I. fig. VII, «.

(3) Beitr. p. 56. PI. II, fig. 20.

(4) Kölliker herinnert aan de analogie van liet gezegde proces met dat. hetwelk Meijen bij Hypnum cupressiforme waarnam. Zie diens Physiol■ III. 209.

Sluiten