Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitgestrekte zaaddraden ; in de holte Tan den bijbal kan men de verschillende ontwikkelingstrappen het best naast elkander aantreffen.

De schaal der dochtercel schijnt het laatst los te laten , en daardoor wordt de ingesloten zaaddraad vrij en rolt zich langzamerhand ineen. (Kölliker, Lallemand.) (1) Zijn op dit tijdstip de dochtercellen nog door de moedercel omgeven, dan komt de zaaddraad vrij in de moedercel te liggen, door den korreligen inhoud der voormalige dochtercel omgeven. (2) Wanneer de gezamenlijke dochtercellen opgelost zijn, dan ligt er een bundel zaaddraden vrij in een wijd omhulsel, de moedercel. De zaaddraden liggen somtijds zonder orde in het omhulsel verspreid. (5) In den regel voegen zij zich evenwijdig bij elkander, en groeijen , terwijl de korrelige massa, die ze omgaf, verteert. Het omhulsel wordt te gelijk dunner, en trekt zich naauwer om de zaaddraden zamen, zoodat het eene peervormige of ringvormige blaas daarstelt, in wier dikker gedeelte de koppen der zaaddraden liggen. (4) Het dikkere einde met de koppen zou , volgens Lallemand , steeds naar den bijbal toegekeerd zijn. (5) De smallere punt schijnt zich het eerst te openen ; in water springt de blaas open, en de zaaddraadbundels worden vrij; in den bal geschiedt dit misschien door resorptie der blaas. De vrij gewordene bundels "blijven echter dikwijls nog, zelfs na de evacuatie , op hoopen bij een liggen; zaaddraden met platte koppen zijn daarbij met de koppen in rollen op een gestapeld, even als geldstukken, terwijl de staarten alle naar eenen kant gerigt zijn. Onder welken invloed zij zich op deze wijze rangschikken, laat zich niet zeggen; intusschen wil ik hier aan het op soortgelijke wijze zamenkleven der bloedligchaampjes herinneren. (6)

(1) t. a. pi. PI. X. fig. 10.

(2) R. Wagner, Muil. Arch. t. a. pi. en Icon. Physiol. Tab. I, fig. V, g.

(3) haiimahk, t. a. pi. fig. 6.

(4) Wagner, Müll. Arch. t. a. pi; Icon. Phys. V, i, k.

(5) t. a. pl. p. 73.

(6) Reeds Leeuwenhoek (Opp. IV. 289) maakte de opmerking , dat de zaaddraden vaak bij 2. ja ook bij ïi en 10 bij elkander liggen, dat zij elkander aanraken, en dat één ligchaam verscheidene staarten schijnt te hebben. Vergel. Dujabdiw , t. a. p.

Sluiten