Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wanneer de bronstijd of het tot -voortteling geschikte levenstijdperk voorbij is, alsmede bij toestanden van groote zwakte, zijn de zaadkanaaltjes weder ledig. R. Wagner heeft ook dit proces

laatste ontwikkelingsstadiën heb ik volgens zijne voorstelling medegedeeld. Hij laat het onbeslist, of de eerste eenvoudige cellen een omhulsel om zich heen vormen, dan wel of zij »een hen eigen dikwandig omhulsel blaasvormig uitzetten" (?). Op grond van analogie geloof ik te moeten aannemen, dat de eerste eenvoudige cellen zich zelve tot de omhullende cel uitzetten, en dat de eerste ingeslotene korrelige cel binnen in gene nieuw gevormd is, zoo als dit buitendien toch ook vaststaat voor die, welke er later allengs bijkomen. Wagner ziet de dochtercellen verdwijnen, de moedercellen met een fijnkorreligen inhoud zich vullen, en binnen in de laatste de zaaddraden ontstaan, zonder omtrent de onderlinge betrekking dezer verschillende soorten van inhoud tot eene bepaalde uitkomst te geraken. VaIENTIN (Repert. 1837, p. 145) stelde een alternatief, dat wel het onderwerp scherper begrensde, maar toch ook de juiste toedragt der zaak niet vatte. »De buitenste bol," zegt hij, «dient blijkbaar voor kiemhouder; de binnenste bollen daarentegen zijn ten aanzien hunner heteekenis onbekend. Zoo veel is zeker, dat in de tevens met heldere vloeistof gevulde ruimte van den kiemhouder, de spermatozoa-bundels later voor den dag komen, en dat te gelijk met het verschijnen van deze de binnenste korrelige bollen allengs verdwijnen. Of de laatste echter onmiddellijk in de zaaddiertjes overgaan of niet, in het eerste geval dus voor kiemen, in het laatste geval voor dojer te houden zijn, is nog niet bepaald." Overigens verklaart VaLENTIN geheel met de voorstelling van Wagner in te stemmen, en v. Siebold (Müu. Arch. 1837, p. 436) bevestigt ze eveneens. Wagner heeft de kiemhouders met de daarin bevatte bollen reeds bijj den hond gezien; Valentin verzèkert, denzelfden ontwikkelingsgang bij kikvorschen, konijnen en beeren te hebben vervolgd. Hallmann (MüLL. Arch. 1840, p. 471) kwam, terwijl hij de wording der zaaddraden bij de roggen bestudeerde, tot hetzelfde resultaat; ook hij laat den overgang der dochtercellen in zaaddraden onverklaard. Tweemaal nam hij aan de moedercellen , waarin de zaaddraden reeds in bundels bijeenlagen, eene groote, volgens de afbeelding vrij onregelmatige, vlek, met donkere ligchaampjes, waar; die vlek houdt bij voor kern. Jammer, dat er geene afmetingen bij zijn opgegeven. Lallemand's ontwikkelings-geschiedenis van de zaaddraden der roggen (Ann. d. sc. nat. XV, 1841, p. 257), hoewel minder volledig dan die van IIaimann, en over het algemeen ver beneden het standpunt onzer kennis, vult in zoo ver eene gaping aan, dat hij de zaaddraden elk voor zich in den opgesloten toestand zag, de manière d faire croire, qu'ils sont contenus dans une vesieule trés tnince: er was eene 800-voudige vergrooting noodig, om tot de overtuiging te komen, dat dit niet het geval is. Reeds vroeger intusschen had Köiliker de ontwikkeling der zaaddraden in hunne cellen ontdekt. Ik geloof niet dat ik dwaal, wanneer ik zijne afzonderlijke zaaddraden-cellen met de ingesloten hollen van Wagner en Valentin identisch noeme, en ze tevens in de

Sluiten