Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De met bolletjes opgevulde eellen in den bal worden zeldzamer, en verdwijnen aldra geheel; de zaaddraden, wanneer die er nog in bevat zijn, liggen niet meer in bundels, maar enkel en van elkan-

vlakte eener holle blaas zitten, óf in digte rondachtige hoopen bijeenliggen. Dc bolletjes schijnen zich óf naar eene óf naar beide zijden te verlengen, zoodat de niet volkomen rijpe zaaddraden nog eene ovale verdikking, nu eens aan de punt, dan veder in het midden -vertoonen. Bij de Paludina zou volgens v, Sïebold elke draad zich in een aantal fijne vezels splitsen. Bij Lymnaeus heeft Külliker aan de in verlenging verkeerende korreltjes celkernen gezien, zoodat het dus ware cellen zouden zijn (PI. I, fig, 12). Bij uitzondering komen volgens hem ook bij Anneliden, de korreltjes, die in zaaddraden zullen overgaan, in cysten voor. Voor details verwijs ik naar mijn opstel over Branchioldella, Miill. Arch. 1835, p. 584 en 1837, p. 84 in de aanteekening; naar v. Sïebold ter zelfder plaatse 1836, p. 240; voornamelijk echter naar Kölliker's bijdragen, waarin de ontwikkeling der zaaddraden voor de ongewervelde dieren uit alle klassen is uiteengezet.

(Vervolg.) Kölliker (Die Bildung der Samen/aden in Bliischen, Schweiz. Gesellsch. 1846) neemt aan, dat de zaaddraden , die eene verdikte plaats vertoonen , onvolkomen ontwikkeld zijn, en dat zij langzamerhand in de gladde overgaan, terwijl die verdikte plaats dienen zou om de verlenging, die zij ondergaan, goed te maken. Als .bewijs daarvoor voert hij de omstandigheid aan, dat die verdikte plaatsen aanzienlijker zijn aan de draden van den bal dan aan die van den bijbal.

Betrekkelijk de ontwikkeling der draden in engeren zin deelt K. nog het volgende mede. De blaasjes of kernen, waarin de draden ontstaan, komen nu eens alleen staande, dan weder 2—20 bij elkander, in ééne cel voor; het een zoowel als het ander treft men bij betzelfde dier aan; gedurende den bronstijd komen voornamelijk de grootere cysten voor. Hare teederheid en gemakkelijke vernietiging, vooral in water, mag wel de reden zijn, dat zij vaak over het hoofd gezien zijn. Eerst na het bersten der kernen liggen de draden in de cel. Is er slechts ééne kern voorhanden, dan legt de draad zich in een spiraal tegen den celwand aan; zijn er meer, dan liggen zij ongeregeld dooreen; zijn er zeer vele, dan liggen zij, gelijk hekend is, in bundels vereenigd. K. beveelt verdund azijnzuur of alkohol aan, om hunne ligging en ontwikkeling na te gaan , dewijl deze vloeistoffen de bewegingen der draden opheffen, zonder de draden zelve te vernietigen. De bedoelde cellen zitten, volgens Will (1849), onmiddelijk op den wand der zaadkanaaltjes, met wier epitlielium hij ze identisch noemt; Wagner en Leuckart erkennen we), hetgeen Will niet doet, de vormverschillen tusschen de epitheliaalcellen en de cysten, waarin de zaaddraden-vormende blaasjes ontstaan, doch houden het almede voor waarschijnlijk, dat die zaadcellen binnen in epitheliumcellen ontstaan zijn. Zij zagen blaasjes, waar de staart van den zaaddraad er buiten, de kop er nog in lag, en andere, die tot een smal verlengsel ter opname van den staart waren uitgerekt.

Sluiten