Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der afgescheiden. Daarentegen verschijnen in hen geelachtige, het licht sterk brekende bolletjes van ongeveer 0,0012'" grootte, die veel op vetbolletjes gelijken. Later vindt men in den bal alleen nog bolvormige of ovale ligchamen van 0,006—0010"', ophoopingen van groote, donkere, ronde moleculen of korreltjes, ten deele, zoo het schijnt, met eenigzins lichtere kern (1). Of gedurende den tot voortteling geschikten leeftijd de gevormde zaaddradraden, wanneer zij niet ontlast worden, zich oplossen, en er zich in hunne plaats nieuwe ontwikkelen, laat zich niet wel door de waarneming uitmaken, maar is daarom waarschijnlijk , wijl men bij loopsche dieren te dier tijde de onontwikkelde vormen in den bal aantreft. Men kan zich niet voorstellen, dat deze onontwikkeld zullen blijven wachten, totdat hunne inmiddels rijp geworden voorgangers plaats zullen gemaakt hebben.

In het excretum der vrouwelijke voorttelings-organen , dat door bersten van een klierblaasje in de tuba geraakt, bevindt zich, als wezenlijk bestanddeel, het ei (PI. V, hg. 25). Het is, gelijk boven vermeld is, in het Graafsche blaasje door eene laag kernhoudende cellen bedekt, die met de membrana granulosa zamenhangt, en neemt de cellen, die het bedekken, gelijk ook een deel der naast aangrenzende, met zich mede. Van boven bezien, schijnt het derhalve door een smalleren of breederen, onregelmatig afgescheiden ring van kernen en cellen omgeven, waarvan in fig. 23 een klein gedeelte is afgeteekend ; dit is v. Baer's discus proligerus. Yaak is de ring als met straalvormige spleten doorlooken (2), hetgeen waarschijnlijk een gevolg is van verscheuring of van splijting der membrana granulosa. Beschouwt men het ei in profil, d. i. in eene op den wand van het Graafsche blaasje loodregt staand vlak, dan wordt het wel is waar eveneens rondom door een zoom van cellen omgeven, maar deze zoom is aan de eene zijde smaller, en met een regelmatigen, gladden rand voorzien. Het is die kant, waarmede het ei vrij in de holte van het Graafsche blaasje uitsteekt. Dit geheele overblijfsel der membrana

(1) R Wagner, Physiol. p. 23.

(2) Bischopf in R. Wagnïr's Icon. plit/s. Tab. IV , fï<j 1.

Sluiten