Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(jranulosn gaat aldra verloren, terwijl het ei door de lubae heen weg gaat.

Van het overblijfsel der membraha granulosa bevrijd, is het ei, tot op het tijdstip, waarop het in de tuba intreedt, een met het bloote oog nog even waarneembaar wit puntje. De middellijn van het rijpe ei bij den mensch geeft Wh. Jones op, als bedragende 0,08"'; misschien is het ten tijde, dat het naar buitengaat, nog iets grooter (1).

Het bestaat uit eene heldere, structuurlooze, naar verhouding zeer vaste en dikke schaal, het chorion (fig. 23 a), en uit eenen vloeibaren inhoud , dojer, waarin eene digte massa van grootere en kleinere korreltjes en bolletjes bevat is (ddd). De kleinere zijn het talrijkst, zien er uit als pigment-moleculen, en bewegen zich even als deze; de grootere, die 0,002—0,005"' meten, gelijken op vet- of melkbolletjes, zoo door hun ronden vorm, als door hunne donkere randen en hunne glinsterende oppervlakte. Zij geven bij opvallend licht aan het ei het wit-geelachtige, glinsterende aanzien. Zij zijn in den buitensten omtrek van den dojer talrijker dan naar het midden toe. Maar eerst, wanneer hunne ontwikkeling begint, wordt het centrum geheel en al helder, en van het centrum uit allengs ook de overige dojer. Deze ligt digt tegen de inwendige oppervlakte van het chorion aan en heeft anders geen omhulsel, hoewel het somtijds in het bijzonder aan menscheneijeren gelukt, den dojer als een zamenliangende bol uit het chorion naar buiten te drukken (2). Ligt het ei in water, dan zuigt het dit op; het opgezogen water dringt den dojer, waarmede het zich niet terstond vermengt, van het chorion af, en ook daardoor kan de bedriegelijke schijn ontstaan, als of de dojer nog door een tweede vlies omgeven is. Dit gebeurt bij beginnende rotting (5). Wanneer het chorion trapsgewijze sterker gedrukt wordt, dan zet het zich tot een aanmerkelijken omvang uit, wordt tevens dun-

(t) Rijpe cijeren van andere zoogdieren meten 0.05 tot. hoogstens 0,1"'. Vergelijk Bernhardt, Symbol. p. 28. R. Wagner, Prodr. Hist. Gener. p. 28; Kiuuse in Müll. Arch. 1837, p. 29.

(2) WHARTON Jokes, Two papers on the ova etc. p. 10, fig. 5; BischOFF in Müu. Arch. 1839, p. CLXXI.

(3) Bernbardt, Symbol, fig. 23, Wharton Jones, t. a. p. fig G.

I"- 29

Sluiten