Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ner, scheurt eindelijk op eene plaats, en laat dan den inhoud langzaam naar buiten stroomen. Men overtuigt zich op die wijze, dat een taai, helder vocht de korreltjes verbindt; namelijk, wanneer men na het bersten van het chorion de drukking allengs doet toeen afnemen, in welk geval, b'ij het ophouden der drukking, de korreltjes, die reeds uiteengespreid schenen te zijn , weder in de holte van het chorion terugglijden. Door water wordt de vloeistof in fijne , naauwelijks gegranuleerde draden uitgetrokken. De spleet in het chorion (b) heeft altijd gladde randen. Men kan die naar willekeur fijner of dieper en gapender maken; bij de sterkste drukking splijt het chorion tot op het midden en zelfs verder, en gelijkt dan op een ring, waaruit een stuk is gesneden. Wanneer de inhoud er geheel is uitgeloopen en het chorion in elkander is gevallen, kan men echter nog, hoewel minder gemakkelijk, de beide concentrische kringen onderscheiden , die de dikte van het vlies aanduiden (1); zij bedraagt, bij de minst

(1) De door deze beide kringen ingesloten liolte is wel dat gedeelte van liet ei, over welks beteekenis de stemmen der geleerden het meest verschillen. V. Baer, de ontdekker van bet ei bij de zoogdieren, noemde den helderen kring, dien hij tasschen dojer en discus proligerus zag, de zuna pellucida i hij hield het gehecle ei der zoogdieren voor analoog aan bet kiemblaasje der vogels, en vergeleek daarom den lichten kring rondom bet ei der eersten met den lichten kring rondom bet kiemblaasje der laatste Vai.ENTIN vermoedde (Enhvickelungsgesch. p. 17) dat de ruimte met vloeistof is* gevuld. In de afbeeldingen bij Bernuardt wordt bijna overal de binnenste kring als dojervlies aangeduid; de buitenste kring vertoont zich door de er op liggende korreltjes der membrana granulosa minder scherp bepaald. De vergissing ten aanzien van den binnensten kring was des te gemakkelijker mogelijk, wijl bij zich somwijlen, gelijk ook op onze fig. 23, niet als eene eenvoudige lijn, maar als een lichter of donkerder zoom van eene zekere breedte voordoet." (Vergelijk BERNHARDT, fig. 22. Valentin in MÜU. Arch. 1836. p. 163.) Op de pas aangehaalde plaats rekent Valentw het tot de lijk-veranderingen van bet ei, wanneer bet dojervlies zich verbazend, soms tot CO maal toe, uitgezet en vergroot vertoont. Dit laat zich gemakkelijk verklaren, doordien namelijk het ei bij beginnende rotting zich eenvoudig van de membrana granulosa losmaakt, in welk geval men dan de zona pellucida gemakkelijk voor datgene erkent,wat zij is, namelijk een eenvoudig dik vlies. R. Wagner (Müli. Arch. 1835. p.334) noemt den buitensten kring chorion, den binnensten dojervlies; tusschen beiden in is eene smalle, doorschijnende ruimte. Kradse (t. z. pl. 1837, p. 27) zocht te bewijzen, dat die ruimte met aiwit is opgevuld, en dat derhalve de buitenste kring als ciwitvliesje beschouwd moest worden. Wharton Jones (t. a. pl, p. 7)

Sluiten