Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Baar de kiemblaasjes betrekkelijk des te grooter zijn , hoe kleiner de eijeren zijn, zoo mag men daaruit het besluit trekken, dat de kiemblaasjes het eerst gevormd worden, zoo als ook Barrv bij de duif waarnam. In welke verhouding ten opzigte hunner ontwikkeling kiernblaasje en kiemvlek tot elkander staan, is voor de hoogere dieren niet uitgemaakt; in de eijerstokken van Atjrion vircjo ontstaat, volgens de voorstelling van R. Wagner (1), de kiemvlek het eerst. Hij heeft de grootte en vorm, en, in betrekking tot het kiernblaasje, ook de ligging van een cytoblast. Het is niet bekend, of de korrelige, gladde en vethoudende kiemvlekken toevallige verscheidenheden of verschillende ontwikkelingstrappen zijn. Wanneer het laatste het geval was, dan was naar de «analogie de omzetting in vet als het einde der ontwikkeling van de celkern te beschouwen; er zou dan, even als bij de kraakbeencellen , te gelijk vorming van enkele vetdropjes«in de cel, het kiernblaasje, plaats grijpen, en op die wijze zoude zich de bij dieren waargenomene schijnbare vermenigvuldiging van kiemvlekken laten verklaren. Volgens Barrv wordt het kiernblaasje eerst met oliedruppeltjes omgeven , vervolgens met cellen, en om deze heen groeit een structuurloos vlies. In dit stadium is er veel gelijkenis met de cellen, die wij zaamgestelde genoemd hebben , met name met de gangliënkogels; de cel met hare kern speelt zelve weder de rol van celkern. De verdere ontwikkeling is, wanneer Barrv (2) juist gezien heeft, geheel eigendommelijk , want van nu af aan zou

ontdekt, maar met liet twee jaren vroeger door Porktnje ontdekte kiernblaasje der vogels gelijk gesteld is, totdat in het jaar 1834 1e gelijker tijd Coste en Valentin, en kort daarop onafhankelijk van hen ook Wdarton Jones (bondon and Edinb. Phil. Mogas. VII. 209, voorgelezen aan de Royal Society, Junij 1835), het kiernblaasje in het zoogdier-ei aantoonden. De kiemvlek beschreef R. Wagner in 1835 en ging dien tevens door alle dierklassen na. Bij de zoogdieren schijnt Wuarton Jones dien almede als eene verhevenheid van het kiernblaasje te hebben opgemerkt. Uit een vergelijkend-anatomisch oogpunt is opmerkelijk het door alle dierklassen heen aanwezig zijn der eijeren (Valentin, Muil. Arch. 1836, p. 1G7, heeft ze ook bij raderdiertjes gezien), en buitendien hunne volkomene overeenstemming ten aanzien van hunne wezenlijke deelen. Van geen beleekenis is de hoeveelheid dojer, die zeer veranderlijk is , en evenmin de buitenste eivitlaag.

(1) Zie boven p. 153.

(2) Philos. Transact. 1838. P. II. p. 311.

Sluiten