Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vet, fijn verdeeld zijn, welke stoffen zich deels door stolling laten afscheiden, deels na verdamping van liet water als overblijfsel verkregen worden. De hoeveelheid der vaste bestanddeelen is in de vloeistof der secreta niet minder onbestendig dan in het bloedplasrna, maar in den regel schijnt zij geringer te zijn en is vaak zeer onbeduidend. Het watergehalte in het bloedplasma kan men na de vroeger medegedeelde analysen op 895 per 1000 berekenen ; in de excreta daalt het niet ligt onder 920 en klimt tot 990. Volgens de in Berzelius' leerboek der chemie hier en daar verspreide analysen van dierlijke afzonderings-producten, bevatten de tranen 990 deelen water, het pancreatische sap van het paard 927—990, het speeksel 992 , het zweet 98S , maagsap 984, slijmsap 955, pis 955 (volgens Vogel tusschen 924 en 988), melk 914 , ossengal 904, zaad er 900 deelen van. Eene uitzondering maakt alleen de door Tuenaisd ontlede ossengal, die 875 water bevatte. Daar in al deze gevallen , met uitzondering der melk, noch de wezenlijke ligchaampjes, noch de bijgemengde epitheliumcellen waren afgescheiden, maar als slijm of eigendommelijke sloffen werden medegerekend , zoo valt de betrekkelijke hoeveelheid water nog hooger uit. Be afwijkende uitkomst van Thenard laat zich misschien daardoor verklaren, dat, na eene toevallige vervelling der galwegen, er vele losse stukken van hare opperhuid in de gal waren blijven hangen. Overigens neeint ook de hoeveelheid der opgeloste bestanddeelen bij vermeerdering van het secretum betrekkelijk af.

Over de qualitatieve verhouding der in het plasma der excreta opgeloste stoffen is het gewaagd iets te zeggen , dat als algemeene stelling zou mogen gelden. Voor vele secreta ontbreekt nog een naauwkeurig onderzoek, en zelfs voor de meermalen onderzochte is het aantal analysen nog gering in vergelijking met de massa van veranderingen, waaraan zelfs in gezonden toestand een secretum onderhevig is; eindelijk is voor de kleine hoeveelheden , met welke men te doen heeft, de methode van analyse en onderkenning altijd nog zeer onzeker. Wat zich bij zulke onvolkomene middelen over de hoedanigheid der secreta en bepaaldelijk over hunne verhouding tot het bloed laat zeggen , wil ik hier kortelijk bijeenzetten.

Sluiten