Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gevoels- of beweegzenuwen. De hiertoe behoorende feiten zijn zoo menigvuldig en zoo bekend, dut ik geloof mij tot deze algemeene aanwijzing te mogen bepalen. Eene op die wijze opgewekte afzondering onttrekt overigens aan het bloed nog iets meer dan de uit te scheiden stoffen, en maakt eene spoedige wederaanvulling noodzakelijk. Dit bewijst, om slechts een voorbeeld noemen, de dorst, die zich na sterk zweet, ten gevolge van ligchaamsbeweging, openbaart.

Deze, om kort te gaan, door congestie vermeerderde afzondering wordt, naarmate zij in hoeveelheid toeneemt, armer aan specifieke secretiestoffen en aan mikroskopische bestanddèelen. Men mag vooronderstellen , dat de gewone werking der klieren beantwoordt aan de in het bloed gelegen behoefte. JVeemt toevallig de in eene klier circulerende bloedmassa snel toe, dan stijgt niet in dezelfde verhouding de hoeveelheid specifieke uitscheidingsstoffen , en wat de klier bevat en ontvangt, is niets anders dan het waterachtige bestanddeel van het bloed, zoo als dit na congestie overal zich in het parenchym en aan de oppervlakte des ligchaams uitstort, nu eens armer, dan eens rijker aan vaste bestanddeelen van het plasma. Natuurlijk mengt zich het exsudaat met het reeds in de kanaaltjes der klier opgehoopte eigenlijke secretum, en verdunt dit. Men zou dit in zekere mate een slijm- of speekselessence kunnen noemen, die door het toestrooinen van bloedwater verdund wordt.

Wanneer wij hier overigens van de exsudatie van het plasma in de holte der klieren gewagen , dan is dit niet zoo geheel woordelijk op te vatten. Bekend als de bouw der klieren is, kan er niets onmiddellijk uit de vaten in de klierkanaaltjes overgaan, maar wat de vaten afgeven, moet eerst in de ruimte'tusschen de kanaaltjes, in het stroma , komen. Yan daar wordt het deels door de klieren, deels door het begin der lymphevaten opgenomen. Ik kan niet nalaten hier op de verwantschap in de verrigting der klierkanalen en die der lymphevaten opmerkzaam te maken. De kracht, door welke beide zich met de in hare omgeving neergezette stoffen vullen, is de endosmose; welke stoffen bij voorkeur indringen, wordt in beide gevallen door de geaardheid van het bloed bepaald; voor beide schijnt het eerste gevuld worden in

Sluiten