Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afdeeling verhuizen, zoodra in hun secretum een specifiek product zal zijn aangetoond. Tot nu toe tan ik noch liet melkzuur in het zweet, noch de door azijnzuur neergeslagen stof in het slijmsap als zoodanig erkennen. Over gene heb ik mij reeds geuit; deze is nog weinig bekend en mag voorloopig met het pyin bijeengesteld worden, dat, zonder medewerking van een afscheidingsorgaan, in exsudaten voorkomt, en derhalve waarschijnlijk eveneens aan eene latere omzetting van een of ander der naaste bloedbestanddeelen zijnen oorsprong verschuldigd is. Wat men aangaande de betrekking dezer klieren tot het bloed beweren kan, is dat zij in het algemeen de massa, en met name het watergehalte er van, verminderen. De hoeveelheid water, die door de onmerkbare huiduitwaseming aan het bloed onttrokken wordt, is aanzienlijk ; nogtans vindt deze verdamping zeker niet enkel door de vaten der klieren, maar door het geheele capillaire vaatnet der huid plaats. Onderdrukking er van over grootere uitgestrektheid zou derhalve, naar onze meening, niet daardoor nadeelig worden, dat eene eigenlijk vergiftige stof in het bloed teruggehouden wordt, maar door vermeerdering der bloedmassa (plethora) en verdunning van het bloed. Plaatselijke onderdrukking van zweet laat zich niet als een het bloed bedervende schadelijke invloed beschouwen (1), en wel

(1) Terwijl ik het aandeel, dat de huid- en de slijmvliezen in liet behoud der normale bloedmenging hebben, op deze -wijze beperk, weet ik zeerwel, dat ik de praktische geneeskundigen aanstoot geef, die zoo vaak in de traagheid der genoemde organen de oorzaak van bederf der vochten zoeken en een heirleger van ziekten uit plaatselijk onderdrukte huidwerkzaamheid afleiden. Toch kan ik daaromtrent slechts herhalen, wat ik in de Pathalog. Unters., p. 271, over de verkoudheden in liet midden gebragt heb. Ik kan dat kou-vatten, volgens h'et toen gezegde, nergens anders voor honden, dan voor eene op de liuidzenuwen werkende ziekte-oorzaak, wier nadeelige gevolgen gelegen zijn in storingen van het evenwigt des zenuwstelsels, en waarbij de indicatio causalis verlangt den tonus der huidzenuwen te herstellen. Men kan deze niet prikkelen, zonder, volgens de wetten van het antugonismus tusschen gevoels- en vaatzenuwen, eene verlamming der laatste, congestie en zweet te weeg te brengen. Het zweet, wanneer het gelukt dit te doen uitbreken, is slechts een verschijnsel van de gelukte prikkeling der zenuwen, geene crisis in de oude beteekenis des woords. Epispastica, wrijvingen, doen in den regel dezelfde diensten, als aanhoudend zweeten.

De theoriën, welke, sinds het uitvinden der cardinale vochten over verslijming, over verplaatsen en over het afvoeren van slijm, werden opgesteld, komen alleen op

Sluiten