Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wustzijn van het te bereiken doel, alsof het bezielde wezens wa« ren, maar juist dan, wanneer zij toevallig en na alle rigtingen zich verspreiden, moeten er ook eenige op den regten weg komen. Dat dit eenigermate van een gelukkig toeval afhangt, ziet men aan het veelvuldig mislukken der pogingen om te bevruchten, en het spreekt van zelf, dat de uitslag des te eer gelukkig zal uitvallen , hoe digter aan de plaats hunner bestemming de zaaddraden bij den coitus gebragt worden , zonder dat men daarom beweren mag, dat het indringen van het zaad in den uterus reeds gedurende de paring eene geheel en al onvermijdelijke voorwaarde voor de bevruchting zij. Overigens is de snelheid der zaaddraden volgens de boven in het werk gestelde berekening niet zoo laag aan te slaan. Wanneer zij zich onderweg niet ophouden, noch van den weg geraken , kunnen zij bij den mensch de tubae in hare geheele lengte, in ongeveer een half uur doorloopen. Dat zij dit doen, kan men niet veronderstellen; veeleer schijnen de zoo in het oog loopende afwisselingen in den tijd , binnen welken de eijeren zich na de paring van den eijerstok losmaken (1), daarop heen te wijzen , dat de bewegingen der zaaddraden onzeker zijn. Daar echter dat vrijworden der eijeren toch immer binnen een bepaald tijdsbestek of in het geheel niet plaats vindt, dient men aan te nemen, dat de zaaddraden na eenigen tijd ook in den uterus en in de tubae sterven.

De ontwikkeling van het klierweefsel is ondanks vele moeitevolle pogingen nog bijna geheel onbekend. Bij de moeijelijkheden van histogenetische onderzoekingen in het algemeen voegt zich hier bij nog de omstandigheid, dat door de gemakkelijker onder het gezigt vallende vertakkingen van de uitlozingsbuis de opmerkzaamheid van de eigenlijke klierzelfstandigheid werd afgeleid. Daar de volmaakte klier slechts een tot in het oneindige vertakte uitlozingsbuis scheen te zijn , zoo was het voldoende het ontstaan van de laatste en het beginsel, waarnaar hare vertakkingen zich vermenigvuldigen, tot op eene zekere grens te vervolgen. De kiemstof of het blasteem , dat tusschen de takken overbleef, en waarvan men aannam, dat het zich ten slotte in interstitieel bindweefsel omzet,

(1) Bischoff en R. Wagseb's Phys., pag. 95.

Sluiten