Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vang af afgezonderd iets beschouwd wordt. Voor andere klieren, nainenlijk het pancreas en de lever, wordt daarentegen algemeen aangenomen, dat zij oorspronkelijk uit het darmkanaal als uitloopers of uitwassen er van naar buiten uitschieten (1); Reiciiert alleen beweert ook voor deze, dat zij eenen afzonderlijken oorsprong hebben (2). Bij naauwkeuriger toetsing liggen deze mee'ningen niet zoo ver uiteen; v. Baer (5) en Joh. Müller (4) zagen de lever het eerst als eene tweelobbige opzwelling van den wand der darmbuis in de vaatlaag uitsteken, in welke opzwelling eene met het darnjkanaal in gemeenschap staande holte verscheen; volgens Reichert ligt de celmassa , waaruit de lever zich ontwikkelt (bij den kikvorsch lever en pancreas), buiten op het darmkanaal ; zij schijnt identisch te zijn met de massa, die v. Baer en Muller, zonder zich van het mikroskoop te bedienen, voor eene eenvoudige opzwelling van de darmrokken aanzagen. Het verschil komt ten slotte daarop neder, of nu deze opzwelling van den beginne af aan hol en met het darmkanaal in gemeenschap staat, dan wel of de holte en bare gemeenschap met de holte van het darmkanaal pas in later tijd tot stand komen.

Volgens' Beichert's onderzoekingen moet men zich* voor het laatste verklaren , en het betitelen der lever als een uitstulping van het darmkanaal is dan inderdaad niet juist.

Het blasteem der netvormige klieren verandert, wanneer men de geringe hoeveelheid bindweefsel in den bal met de vaten en zenuwen over het hoofd ziet, geheel en al in klierzelfstandigheid ; het blasteem der trosvormige klieren en der lever wordt ten deele tot vorming van de vertakkingen der uitlozingsbuis verbruikt. Deze treden aldra als sierlijke , witte, aan de uiteinden eenigzins opgezwollen strepen in de geleiachtige massa op den voorgrond. (5)

(1) Volgens Roi.ando, Ratiike, v. Baer, J. Müuer en Vaientin , vergelijk Tan den laatste de Entwicklungsgesch., p. 514. Rateke, Entwicklungsgesch. der Natter, p. 18.

(2) Entwiclelungsleben, p. 51 , 189.

(3) Bcrdach, Physiolog. II, 288.

(4) Gland. Secern., p. 77.

(51 E. II. Weber, Meck. Archp. 278. Pl. IV, fig. 18. (Parolis. Het Masteem zelf is over liet hoofd gezien.) Rathke, in bordacn's Physiol. II. 502, Müiier ,

Sluiten