Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De ontwikkeling der zaadkanaaltjes schijnt van de oppervlakte naar het midden van den bal voort te gaan. Er bestaan in den beginne, bij varkens-embryonen van 2 —2|", breede strooken (van 0,16'" middellijn); deze verdeden zich in smallere van 0,048— 0,06 , die dan oniniddelijk in de zaadkanaaltjes schijnen over te gaan. Betrekkelijk zijn zij in vroegere tijdperken grooter, dan later; op ziehzelve blijft hunne grootte tamelijk gelijk (1).

Ik moet hier nog herinneren aan de Wolff'sche ligchamen, die gedurende den eersten tijd van het embryo-leven ontstaan en vóór de geboorte reeds weder verdwijnen. Door hunnen buisvormigen bouw sluiten zij zich aan de nieren en ballen aan. Hunne kanaaltjes ontstaan , even ais de nierkanualljes, als korte, in een opgezwollen blind einde uilloopende darmpjes; zij gaan onder eenen regten hoek van de uitlozingsbuis af, die langs de eene zijde der klier naar beneden loopt. Allengs worden zij langer, gekronkeld ; hunne uiteinden verliezen zich in de diepte. In ontwikkelden toestand houden zij zonder vertakking, zonder opzwelling, blind op (Müller). Hunne middellijn wordt door Müller opgegeven, als 0,05C" bedragende (2). Geheel en al daaraan gelijk in hare ontwikkeling verhouden zich, volgens Müller's beschrijving, de nieren der balrachii (3). Wat de trosvormige klieren betreft, bij een 5" lang schapen-embryo schijnen, volgens J. Müller's afbeelding, GlmiJ. Socurn. Tab. VI, fig. 12 h, de primaire lobjes reeds volkomen gevormd te zijn. Daarvoor houd ik ook de rondachtige lichaampjes uit het pancreas van een vogel-embryo PI. VII, fig. 8 en 9, en uit dezelfde klier van een 4" lang schapen-foetus Tab. VII, fig. 10. De'trosvormige bouw der blaasjes is óf op dit tijdstip nog niet ontwikkeld, óf kon bij de aangewende vergrooting niet worden waargenomen.

Het laat zich evenmin uitmaken , in welke verhouding de cellen der volwassen lever tot de langwerpige en stompe, aan hun zoogenaamd blinde uiteinde opgezwollene ligchaampjes staan, die Mül-

(1) Valestis, t. a. |il. |). 091. Mülisr's Arch. 1838, p. 529.

(2) J. Müller, Gland. Secern. p. 90. Tab. XV, lï«r. 3. Bildungggesch. p. 22 . Tal). II. IIathke. Entwiclseluvgggegch. der Nntter. p. 47.

(3) Gland. Secern. p. 86.

III. 31

Sluiten