Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan elk lobje eene holte toe; volgens Tiedejian (1) zijn de lobjes zelve nog weder zamengesteld uit holle blaasjes van ^—1"' diameter, wier holten onderling gemeenschap hebben. Voor het bestaan eener groote centrale holte binnen in elke klierhelft verklaren zich onder de nieuwere Meckel (2) en Becker (">), terwijl volgens Cooper (4) de holten der gezamenlijke lobjes, die bij den mensch niet grooter zijn dan een erwt, zamenhangen met de binnen in de klier aanwezige holte. Hauosted (ö) kon geene centrale holle in de thymusklier ontdekken, en volgens Bürres (G) bestaat zij geheel en al uit geslotene, met vloeistof gevulde blazen van 0,14"' diameter.

In de schildklier komen bij ziekelijke zwelling zeer duidelijke, groote, geïsoleerde cellen voor, die eene heldere, eiwithoudende vloeistof bevatten. Of echter deze cellen alleen vergroot dan wel nieuw gevormd zijn , is nog niet uitgemaakt. Het eerste is waarschijnlijker, wijl zich uit gezonde schildklieren een eigendommelijk helder vocht laat uitpersen. Volgens de wat moeijelijk te begrijpen beschrijving (7) van Berres, bestaat elk lobje der thyreoidea uit ligchaampjes, »die het uiterlijke der vaatverdeeling van een follikel hebben." Zij liggen digt naast elkander, en doen zich langwerpig rond , platgedrukt of vol en uitgezet voor. Aan overlangs gespleten lobjes kon hij eene 0,002" groote holte ontdekken, die door een teeder vliesje omgeven is. Dergelijke geslotene follikels liggen in groepen rondom een vrij dikken adertak gerangschikt. De geheele follikel, zoo wordt verder gezegd, meet 0,20". Wanneer dit de maat van den buitensten omtrek en het andere de maat der holte is, dan mag men het vliesje niet zoo fijn noemen.

In de bijnieren hebben de meeste oudere ontleedkundigen eene centrale holte aangenomen, welke dein hare as naar binnen gaande

(1) Meckel's Arcl., 1815, p. 485.

(2) Anat. IV, 456.

(3) De <)landulis thoracis lympliaticis atque thymo. Berol. 1826.

(4) The Anatomy of the Thymus Gland. Lond. 1832.

(5) Thymi in homine ac per seriem animalium descriptio. 1831 , p. 43.

(6) Oesterr. Jahrb. XXXI. p. 413.

(7) t. a. pi. p. 411.

Sluiten