Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opgevuld, die nog niet in afzonderlijke cellen schijnt afgeperkt te zijn , maar eene doorloopende massa schijnt te vormen , waarin de cellen ingesloten liggen. De korrelige massa verdeelt zich gemakkelijk in donkere, stipvormige ligchaampjes met moleculair-beweging. De cellen lossen zich op in azijnzuur, de kernen worden bleek en verdwijnen na eenigen tijd insgelijks (1).

In het bindweefsel, dat de lobjes der thymus-klier omhult, komen vetcellen voor.

Er moet nog herinnerd worden aan eene eigenaardigheid van de vaatverspreiding in de bijnieren, die Nagel, volgens Müller's ontdekking, beschreven en afgebeeld heeft. De aan de oppervlakte

(1) IIewson (Exp. ing. III, 84) noemt de in de bloedvaten bevatte korreltjes ronduit lymph-bolletjes. J. Muller(Arch. 1834, p. 88) vergelijkt de ligchaampjes, welke uit de miltblaasjes vloeijen, in grootte met de bloedligchaampjes, maakt echter de aanmerking, dat zij niet plat, maar onregelmatig bolvormig zijn. Geheel daarmede overeenkomstig vond hij de korreltjes der roode zelfstandigheid, en dit zou reeds genoegzaam kunnen zijn, om te bewijzen , dat de roode palprt der milt noch uit bloed vaat-k luw en, noch uit vrij uitgestort bloed beslaat. De ligchaampjes der thymus onderzocht Ehrenberg (XJnerh. Slruclur. 1836 , p. 29, 41 , PI. 1, 9). Daar zij op de kernen der bloedligchaampjes en de holletjes van verwoeste zenuwzelfstandigheid gelijken, zoo slaat hij voor, de thymusklier een zenuwmerg-beurs te noemen. Hij vraagt of niet de mergkanker, die soortgelijke korreltjes vertoont, eene anomale, het organische leven bedreigende thymus-vorming is? Bischofp (Müil. Arch. 1838, p. 501) vindt, dat de ligchaampjes de.' milt overeenstemmen met die van den chylus, doch geeft zelf toe, dat nog op vele andere plaatsen buitendien soortgelijke ligchaampjes voorkomen. Zonder verdere aanmerkingen gewaagt Porkinje (Nalurforsch. in Prag. 1838, p. 175) van de korrelige enchymmassa in de milt, de thymus en de schildklier. Verkèerdelijk noemde ik vroeger de cellen (Schleim und Eiter. 1838, p. 9), die de acini der bloed vaat-klieren zamenstellen, kernhoudend, met de cellen van fijne plaveisel-epithelia overeenkomende. Ik zie ten minsle, gelijk boven reeds gezegd' is, bij herhaald onderzoek de eigenlijk kernboudende cellen te zelden, om ze als wezenlijke bestanddeelen te beschouwen. Volgens Papfemieim (Mcll. Arch. 1840. p. 536) bestaat de schors-zelfstandigheid der bijnieren uit korrels van 0.0087—0,0050"', die in straalvormige groepen zijn gerangschikt en minder olieachtige stof bevatten; de merg-zelfstandigheid bezit groolere korrels, vaak met kernen voorzien en rijk aan vet. Wat hij van een doorschijnende, de hol te der mergzelfstandigheid innemende, buis zegt, die met een stomp einde ophoudt, is mij, indien er niet de vena suprarenalis mede gemeend is, geheel onbegrijpelijk"Evenmin kan ik begrijpen, wat hem op het vermoeden brengt, dat er in de schorszelfstandigheid eene met flikker-epithelium bekleede holte geweest is.

Sluiten