Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naar binnen gaande arleriële vaten verdeelen zich terstond in capillaire takken, die aan elkander evenwijdig, in lang gerekte mazen, naar de mergzelfstandigheid heenloopen , en hier in een gelijkvormig net van kleine aderen overgaan, dat in de gioote, in de as der bijnier verloopende, vena suprarenalis uitmondt (1). De vertakking der miltvaten is gekenmerkt door de spoedige oplossing der stammen in fijnere takken, en door liet gemis van anastomosen tusschen de jstammen en de grootere takken (2).

Aan verscheidene waarnemers is de rijkdom aan zenuwen der bijnieren in het ooggevallen (3), en ik moet insgelijks opmerken, dat ik nergens in het binnenste van eene andere klier strengen van zulke dikte gevonden heb. Pappenueim vindt de zenuwen , die naar de bijnieren gaan, met gangliënkogels bezet, en binnen in denieren van een embryonaal voorkomen (4) , dat wil zeggen, op de zenuwen van den syinpathicus gelijkende. Ik zag er binnen in slechts bundels van over het geheel wilte zenuwen. De zenuwen binnen in de milt vindt Remak (li) grijs en zonder gangliënkogels.

physiologie.

De denkbeelden, die men zich aangaande de verrigting der bloedvaatklieren gevormd heeft, zijn ten deele door de uitsluitingsmethode ontstaan. Zij grijpen niet in de processen van het animale leven in ; men kan ze exstirperen ; zij kunnen ontaarden, zonder dat

(1) Mijn. Arch. 1836, p. 306, 1*1. XV, fig. i , 2.

(2) Giesker, t. a. pl. p. 146.

(3) Nagel, t. a. pl, fig. 3, Bergmajsn , Diss, de gla/id. supmTenulibus. Götting. 1839, p. 11 , fig. 1.

(4) Ik moet mij verontschuldigen, wanneer ik de plaats verkeerd begrepen mojt hebben. Zij luidt p. 535 als volgt: »Wen moet, van de bloedvaten uit, de zenuwen vervolgen, en dan ziet men, dat de laatste zich naar den bollen rand van het orgaan been vertakken en met fijne primitiefvezels en eindlissen op enkele plaatsen ophouden. Alle zenuwen, die ik bier vond, hadden nog het embrvonale karakter, enz.'' Verder naar beneden, op dezelfde bladzijde, leest men: »ln de zelfstandigheid der bijnieren daarentegen kon ik zelfs niet éóne zenuwvezel of gangliënkogel nagaan."

(5) Med. Vereinszeitg. 1840, N°. 2.

Sluiten