Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het ligchaam zich in zijne gewaarwordingen en bewegingen belemmerd gevoelt, en zoodoende is er niets natuurlijker, dan dat men hen eene plaats aanwees bij die organen, welke tolde chemische processen der voeding of lot de bloedbereiding dienen. Daarbij komen nog eenige positieve gronden. Hewson (1) zegt, wanneer een deel meer bloed ontvangt, dan tot zijne voeding noodig is, zoo trekke men daaruit het besluit, dat het bloed er eene verandering ondergaat, of dat er eene afscheiding uit - plaats vindt. Hij herinnert ook aan de overeenkomst van de acini dezer klieren met de acini der lymphatische klieren , aan welke men toch geen anderen invloed dan dien op de ontwikkeling der lympha kan toekennen. Nu brengen de klieren werkelijk een vloeibaar product voort, wel is waar in afgeslotene ruimten, maar dit doen, zoo als wij welen, ook verscheidene der in den waren zin afzonderende klieren; het product verandert, ten minste in de milt, met den toestand des bloeds. Vele feiten pleiten voor eene betrekking van de ziekten der milt en der schildklier tot algemeene afwijkingen van de bloedmenging en der voeding. Dit is het, wat ons regt geeft tot het besluit, dat in de bloedvaatklieren het bloed eene verandering ondergaat; dat aan het bloed, gedurende zijnen omloop door deze organen, zekere zelfstandigheden onttrokken worden, die in het parenchym der genoemde organen, even als in de afzonderende klieren , zich op eene of andere wijze verder ontwikkelen. Het verder verschil zou daarin gelegen zijn, dat de volkomen gevormde secrcta niet in eene uitlozingsbuis, en ten slotte op de oppervlakte des ligehaams, maar alleen wederom in de bloed- of watervaten, door onderlinge wisseling, door opzuiging of door eene tijdelijke gemeenschap der blaasjes met de holte der vaten, terugkomen. Of in dit opzigt de verschillende klieren met elkander overeenstemmen en slechts quantitatief elkander completeren , dan wel of elk haar specifiek aandeel in de bloedbereiding heeft, laat zich niet beslissen; toch wordt het eerste eenigermate waarschijnlijk, dewijl de verwijdering van eene enkele klier zonder nadeelige gevolgen is, en eene van haar, de thymus namelijk, van zelve met de voleindigde ontwikkeling des ligehaams te niet gaat.

(1) t. a. pl. p. 70,

Sluiten