Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kanaal eene vloeistof putten, welke zij onmiddellijk in het watervaalnet overvoeren. De eenvoudigste bloedvaten-aanhangsels van dien aard ontdekte ik aan de vaten in den mantel der geleiachtige ascidiën (Pliallusia), (1) waar zij boven de oppervlakte des lig— ehaams even als vlokken uitsteken. Stannios (2) vond aan den buikvaatstam bij de arenicola eene menigte , ten deele langere vlokken , blind eindigende uitstulpingen van het vaatkanaal, die vaak met rood bloed gevuld waren. Inderdaad klierachtige aanhangsels van dien aard, welke met een witachtig secretum gevuld schenen, kent men sinds lang aan de bronchiaal-aderen der cephalopoden. Elk van deze staat door verscheidene openingen in gemeenschap met het lumen der ader (5). Volgens Ovven nemen zij ook bloed op. Zij zijn met talrijke, boomvormig vertakte, bloedvaten bedekt (4),

Over de ontwikkeling van het weefsel der bloedvaatklieren bestaan nog geene onderzoekingen.

(Vervolg.) Volgens simon (ok the thymus gland. 1845) bestaat de thymus hij de jongste embryonen uit eene vliezige buis, met korreligen inboud en bier en daar met kernen voorzien. Uit deze buis ontstaan door uitbotting en verdeeling de folliculi, die denzelfden korrelige» inhoud bezitten, en alle in gemeenschap blijven met de oorspronkelijke buis, die eindelijk midden onder de menigte uitloopet-s in de volwassen klier verborgen ligt, en in deze naar verhouding veel kleiner is dan vroeger, kleiner ook dan a.cooper haar door opblazen en opspuiten daarstelde. Elk blaasje bestaat uit eene met kerhen bedekte tunicapropria, is omgeven door een met elastische vezels gemengd netwerk, en bevat eenigzins platte, roodachtige ligebaampjes van 0,0035"', met eene groote of 2—5 kleine vlekken of stippen. Ten tijde, dat de thymus bet levendigst werkzaam is, vindt men er cellen in, die de pas genoemde ligchaampjes als kernen bevatten; eerst klein en doorschijnend, worden het later volkomene vet-cellen. ecker (Der jeinere Buu iler I\'ebennieren. 1846), en na dien geriacd, vinden hijna op alle pnnten simon's resultaien, en zelfs nog hij een 15jarigen knaap, geheel bevestigd. Behalve kernen en kernhoudende cellen vond bij ook groote cellen zonder kern, met eenigzins fijnkorreligen inhoud, die allengs in vetcellen schijnen over te gaan. De

(1) Berl. Mei. litici/cloped. Art. Gefassdrüsen.

(2) Müll. Arch. 1840. p. 3G3.

(3) Cl'vIEli. Mém. sur les Ulollusques . p. 18.

(4) O WEN, On the peur lij Nautilus. p.2G. PI. V.

Sluiten