Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eindelijkc omzetting der klier in vet vond hij eenmaal bij eenen 24jarigen man nog niet voleindigd; maar soms zag hij die reeds bij zuigelingen ten gevolge van pneumonie plaats grijpen. (Ecker's Art. iiber Blutgejassdrüsen in R. Wag. Jïgr's Handwörterb. 1849.)

Hassall (The microscopie Anatomy of tlie hummi body) vond in den ihvtnus de naar hem genoemde concentrische ligchaampjes, die nog het meeste gelijken op de laagsgewijze verdikte kraakbeencellen der tusschenwervel banden. Het talrijkst vindt men ze, nadat de thyinus volledig ontwikkeld is. De aard dier ligchaampjes, door Hassall en Ecker besproken, lag nog in het Juister; Brucb (Zeitschr. f. Rut. Med. 15, I\, p. 202, 1850) meende, dat zij aan eene atrophie en regressieve meiamorphose der klierblaasjes hunnen oorsprong te danken hebben; vele er van bleken, na behandeling met kali, verhoornde cellen te zijn.

Ecker deelt in zijne Monogrophie over de bijnieren (1846) het volgende mede. Eerst onderzocht hij de door uitpersen uit het orgaan verkregene papachtige vloeistof, bestaande vooreerst uit een eiwitachtig plasma, hetwelk veel van dat van den chylus beeft, ten tweede uit talrijke in de bastzelfsiandigheid aanwezige vetkorreltjes, ten derde uit korrelige ligchaampjes of kernen, die ten vierde met min of meer duidelijke celvllesjes omgeven zijn ; somsis haar kern door een korreligen celinhoud onzigtbaar. Het onderzoek van doorsneden leert, dat de bastzelfslandigheid hoofdzakelijk uit geslolene klierbuizen bestaat. Het duidelijkst is dit bij den mensch. Deze naast elkander geschikte huizen worden door bindweefselbnndels in groepen vereemgd, en zijn met fijnkorreligen inhoud en kernen gevuld, benevens met vetkorreltjes, waaraan de gele kleur is toe te schrijven. De wand dezer buizen is een eenvoudig structuurloos vlies. De kleinste buizen bevatten in het fijnkorrelige plasma slechts éénekern, en zijn dus eigenlijk eenvoudige cellen; de grootere bevatten er 20 en meer. Die buizen schijnen dus uit de cellen zich te ontwikkelen. Sommigen dier huizen, welke grooter zijn, bestaan bij nader inzigt slechts uit eenige opeengehoopte, ovale buisvormige zakjes; zij hebben 0,03—055 " lengte op 0,011—0,03"' breedte. Volgens SlMON (0« the thymus) tusschen 0.02 en 0,034'", meestal 0,015-0,017'". De mergzelfstandigheid bevat geene dergelijke klierbuisjes, maar bestaat uit een net van bindweefsel-vezels, een bloedvalen-net, talrijke zenuwtakjes, benevens een fijnkorrelig plasma met kernen, onvolkomene cellen en enkele vetkorreltjes.

Met een enkel woord dient hier vermeld, dat de hypophysis (gl. pitrictaria) door Hassall^, tusschen de ganglia nervorum en bloedvaatklieren geplaatst, door Eckek (1849 t?a. pi.) geheel tot deze laatste gerekend wordt; beide hechten gewigt aan de lobvormige verdeeling van dit deel. Ecker vergelijkt de achterste kwab der hypophysis met de mergzelfstandigheid der bijnieren; zij bestaat enkel uit eene fijnkorrelige massa met deels ronde, deels langwerpige kernen en teedere zenuwvezels Tusschen de bindweefseldraden van de voorste lob liggen, zoo als Ecker

naauv ^euiig Inschrijft, rondachtige of ovale geslotene blazen van 0.013 0,040

diam., bestaande uit een structuurloos vlies en kernachtige, in een fijnkorrelig [ asrna in jestiooide ligchamen. liij den mensch zijn deze kernen soms met cellen omgeven ; bij oude lieden kunnen de blaasjes met colloide-stof gevuld zijn.

Kollikek {Mikroskop. Anal.) vond er, behalve vrije pigtmentkorrels, rond-

Sluiten