Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

achtige, hoekige cellen vnn 0.003—0,012"' in, vele van welke eene eigenaardige helderheid hebben en zelfs bij toevoeging van azijnzuur geen kern vertoonen.

Na Simon, Panagiotades en Wagener (Fror. ISotiz. B. XL, p. 193. 1846) hebben Ecker (Anatom. des Kropfes. 1847) en Frerichs (Ueber Gallert- uder Colloid-Geschwülste 1847) naauwkeuriger het weefsel der thyreoidea beschreven ; hoewel beider voorstelling niet in allen opzigte dezelfde is. Volgens Ecker is elke met het bloote oog zigtbare, roodgele korrel, die door los vaatrijk bindweefsel van de naastbijliggende gescheiden is , op de volgende wijze zaamgestcld. Vooreerst een omhulsel van bindweefsel, verder een stroma van dooreenloopende bindweefselbundels, waarin talrijke klierblaasjes van 0,022—0,045 " ingevoegd zijn. Deze klierblaasjes bevatten binnen een structuurloos vlies eene troebele vloeistof, inet korrelige kernen en met dezelfde kernen door celvliesjes omgeven, als heldere cellen van 0,045—0.0055 \ deze cellen vormen of slechts eene laag binnen tegen den wand van het klierhlaasje aan, of wel vullen dit geheel op; het eerste schijnt echter de normale toestand te zijn. Behalve de gezegde bestanddeelen, waarbij men nog voegen moet, de soms voorkomende' vet korreltjes, beschrijft 1'RERICfis nog in het bindweefsel-stroma gelegene bruine, korrelige, zeer fijne moleculen, die óf afzonderlijk óf in hoopjes vereenigd liggen, en waarvan de eigenaardige, geelroode kleur der klier afhangt. Zij zijn voor gewone reagentia ongevoelig. Wat de ligging der cellen aangaat, verschilt bij eenigzins van Ecker; want zij zouden, naar zijne waarneming, nu eens afzonderlijk dan weder tot hoopjes vereenigd, in het vezelige stroma liggen, of wel in rijen hijeen geplaatst zijn, welke op de rangschikking der cellen in eenvoudige blinddarmvormige klieren gelijken, en waarin dikwijls de grens der enkele cellen niet duidelijk zigtbaar is. In eenigzins vergroote schildklieren gaat de ontwikkeling dezer cellen verder voort, 1°. tot colloidcysten, terwijl de cel zich vergroot, de kern verdwijnt, en de wand vezelig wordt, 2». tot pigment-cellen, door opvulling met pigment-korreltjes, die de kern bedekken, 3", tot moedercellen, doordien 2 tot 10 en meer kernen , later ook werkelijke cellen , zich in hare holte ontwikkelen en deze innemen.

Uit het onderzoek van Schaffner [Zeilsclir. f. Rat. Med. B. VII. p. 340, 1849) alsmede uit het vroegere van Ecker zou voortvloeijen, dat de inhoud der cystes op verschillende lijden verschilt, en dat zij in volkomen ontwikkelden toestand een plaveisel-epithelium bezitten, dat van tijd tot tijd wordt afgestooten en opgelost. Doch ook de klierblaasjes, en hierin is ook Ecker het met hem eens, schijnen periodisch opgelost en door nieuwe vervangen te worden, daar men nu eens veel meer jeugdige, dan weder veel meer volwassen vormen aantreft. Handfield Jones (Todd's Cyclop• P. XXXIX) zag het epithelium bij den egel uit eene dubbele laag bestaan , en bij het rund een buitengemeen dik epithelium. Volgens Rokitansky (Denhschr. der AA. Acad, 1849. Wien) ontstaan (1c klierblaasjes {cysten) uit eene kern, doordien deze aangroeit, terwijl er nieuwe kernen binnen in haar zich ontwikkelen, die nu óf de geheele cyste opvullen, óf alleen den wand bekleeden.

Hel balkenweefsel der milt noemt Kölliker spierachtig, wijl het uit verlengde vezelcellen bestaat, die Kölliker voor bestanddeelen der gladde spiervezels houdt.

Sluiten