Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die ik als tusschenlaag van het slijmvlies betitelen zal. De breedte van den helderen rand, dien ik aan het slijmvlies der trachea gemeten heb, bedroeg 0,011"', en dit geeft ongeveer de maat aan voor de dikte der tusschen-slijmvlieslaag.

Het weefsel van het tusschen-slij in vlies is niet altijd eveneens. Eenige malen zag ik het geheel glad, eenvoudig en ligt gegranuleerd , zonder een spoor van korrels of vezels; in de meeste gevallen bevat het eene menigte van donkere vlekken en punten (PI. V, fig. 25, aa, fig. 26 c). De punten liggen deels alleen , deels tot zamengestelde figuren vereenigd, of gaan in ovale of ronde korrels over, die men als cytoblasten erkent (fig. 26 , a a,b). Yan dit punt uil ontwikkelt zich het tusschen-slijmvlies in twee rillingen. Naar de vrije oppervlakte toe omgeven de cytoblasten zich met eene cel en worden epithelium; meer naar de diepte toe verlengen zij zich (fig. 25, b), en gaan in vezels over (c), die waarschijnlijk de kernvezels van bindweefsel-bundels zijn, welke, in het op fig. 25 afgebeelde geval, de uit het slijmvlies uitgetrokken klier omgaven (l). liet tusschenvlies wordt niet opgelost in water en azijnzuur, doch zwelt in het laatste op en wordt zeer doorschijnend, zoodat de puntjes en kernen er van des te duidelijker te voorschijn komen.

In de dikste en in de dunste slijmvliezen ontbreekt het tusschenvlies. In de dunnere, b. v. die van de trommelholte, staan de epithelium-cellen onmiddellijk op het bindweefsel; in de engste bronchiaaltakken en in de engere uitlozingsbuizen ontbreekt ook de bindweefsellaag, en terstond op de epitheliumlaag volgen de overlangs loopende spiervezels. Hoogstens laat zich de fijne laag intercellulair-zelfstandigheid, die toch in elk geval het epilheliutn inet het naast daaronder liggende vlies verbinden moet, als een beginsel van tusschenvlies beschouwen. In de dikste slijmvliezen daarentegen, b. v. in die der mondholte, op de tong, in de scheede enz., sluit zich aan de jongste epithelium-lagen terstond eene dikke

(1) Van de darmvlokken zegt R. Wagnf.r (ISurdacd, Physiolog.X. 117), dat zij uit een bijzonder week weefsel bestaan, hetgeen dikwijls geheel en al gelijkmatig fijnkorrelig is, waarin men vaak ook grootere korreltjes met korrelige oppervlakte onderscheidt, die tevens zaamgekleefd en ten deele versmolten zijn.

Sluiten