Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dezelfde Jagen maken het dikkere, de verschillende openingen des ligchaams begrenzende, slijmvlies der bovengenoemde deelen uit. De binchveei'sellaag van het tongslijmvlies beantwoordt derhalve aan de eigenlijke culis, en zou mucosa proprie sic dicla moeten heeten. Gaan wij thans tot engere kanalen over, dan gaat liet eerst de epidermis verloren ; en de in azijnzuur oplosbare cellen van het rete Malpighii komen, hoewel eigendommelijk ontwikkeld, aan

V. 1819. oüG) geeft voor de culis vijf lagen op, en wel van buiten naar binnen ; 1°. epidermis, 2°. de hoornachtige bedekking der papillen, 3°. de pigmentlaag; de beide laatste, dikwijls zoo week, dat hunne scheiding onmogelijk is, vormen liet rete Malpighii, 4°. de Memhrane èpidermique der papillen, eene meestal geheel onkenbare laag, die bij den mensch alleen onder de nagels bemerkbaar is, waar zij zich verdikt, wanneer de nagel wordt weggenomen. Hare aanwezigheid wordt ook door het tatouëren bewezen; want hier is de kleurende stof, hoewel onder de epidermis, zeker niet in onmiddellijk contact met de papillen, welke zulk eenen prikkel niet zouden verdragen: zij ligt in het rete mucosum tusschen de buitenste en binnenste epidermis, 5o. de papillairlaag, zenuw- en vaatrijk. Wendt (Epiderm. 1833. p. 11) verdeelt de epidermis in drie lagen, terwijl hij boven het rete Malpighii eu de eigenlijke opperhuid nog eene afgestorvene laag onderscheidt. I'.ven als Dütrochet spreekt Floorens (Ann. d. se. nat. 2e sér. VII. 1837, p. 156) nog van eene onderste epidermislaag onder de pigmentlaag bij de gekleurde inenschenrassen; de pigmentvorming zou van deze afhangen. De epidermis boven het pigment verdeelt hij in twee platen, en zoo verkrijgt hij, even als Dütrochet , behalve het corpus papillare nog vier lagen. Bij de blanken neemt hij twee lagen aan, welke aan de beide bovenste der gekleurde rassen beantwoorden. Op deze wijze, door verdeeling der epidermis in verscheidene lagen, werd het hem ook mogelijk een rete in de menschelijke tong aan te toonen (p. 221 )_ In eene latere verhandeling (t. z. pl. IX. 241) zoekt bij te bewijzen, dat het rete Malpighii der tong en van het mondslijm-vlies in het algemeen aan de tweede epidermis der uitwendige huid beantwoordt. Aan de lippen ziet men den overgang der binnenste epidermis van de uitwendige huid in het rete mucosum van het slijmvlies. Naast de andere organen in de huid, waarvan vroeger reeds sprake was, beschrijven Breschet en Rodssei de Vadzésie (Anti. d. sc. Plat. 2®. sér. 11. 332) een appareil hlennotjène, bestaande uit een klierachtig, slijm-afzonderend, in de dikte der cutis gelegen parenchyin, en uit uillozingsbuizen, welke het slijin tusschen de papillen afzetten. Het is naauwelijks noodig op te merken, dat zulke klieren, indien -zij werkelijk bestaan , niet de beteekenis hebben, die Breschet er aan toeschrijft. Het zijn rondachtige, hobbelige lichaampjes, van wier top een kanaal uitgaat, dat zich in de diepte der voren tusschen de tepels opent. Somtijds schijnen de kanalen onderling te anastornoseren. Zij staan ongelijk verspreid tusschen de zwcetklieren en zijn misschien niets anders dan deze.

Sluiten