Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geeft Krause op üls zijnde 0,02'". Zij rijzen aan de voetzool regl omhoog; op andere plaatsen, b. v. aan den tepel der vrouwelijke borst, staan zij schuins op de oppervlakte der cutis (1). De papillen hebben, nadat zij door inacereren of koken van hare opperhuid bevrijd zijn , vaak eene korrelige oppervlakte. De korreltjes zijn cytoblasten van het rele Malpifjhii, welke deels en alleen van buiten er op zitten , deels in eene structuurlooze , ligt korrelige zelfstandigheid ingehuld zijn , welke de tepeltjes doorloopend overtrekt , en die met de tusschenlaag van het slijmvlies vergeleken kan worden. Vaak scheidt zich echter al het korrelige van de oppervlakte der papillen zuiver af, en zij bestaan dan uit bindweefsel, even als de cutis, wier bundels, met name de buitenste , alleen wat minder duidelijk in librillen verdeeld zijn. Binnen in de tepeltjes loopt eene vaat- en waarschijnlijk ook eene zenuwlis. Zie verder II, blz. 238. III, 36; III, 215 en volg. (2).

Om de gedaante en rangschikking der tepeltjes en hare verhouding tot de epidermis op eene of andere plaats te leeren kennen, is niets beter, dan stukken cutis sterk te droogen en dan

(1) Afbeeldingen der huidpapillen gaven Masgagni, Prodr. Tal). I, fig. 16. Tab. ii, 1,5, 6. Tab. ii, %. 10. Tab. iii, fig. 13, 15 (lippen). Tab III, fig. 35 (scheede). Tab. vii, fig. 11 (eikel). bbeschet en rodssel de vadzéjie , t. a. pl. PI. IX; wendt, Be Epiderm. fig. 2 ; bérres , Mikrosk. Anat. PI. viii, fig. 12, 14. arnoid, Icon. Anat. fase. II. Tab. XI. De heuvelachtige verhevenheden der conjunctiva, terzelfder plaatse, Tab. I, fig. 14. iienle, Symbolae, fig 13.

(2) milnghi zegt van de tepeltjes (De tact. orga.no, p. 23, 26): hae intplantantur in nervosa et satis crasso corpore, qaod alias papillare placuit appellat e corpus. Men zou hieruit reeds kunnen opmaken , dat Malpichi's corpus papillare synonyril is met cutis, ook wanneer hij dit op eene andere plaats (de lingua, p. 15) niet uitdrukkelijk aanmerkte. Dat hij zijne ongerijmde onderscheiding zelf had ingetrokken , weerhield zijne navolgers niet, zich van deze benaming te bedienen, en met name hebben de oogartsen groote waarde gehecht aan de ziekelijke veranderingen van het corpus papillare der conjunctiva, over welks bestaan in het gezonde oog niemand zich bepaald heeft geuit. (Vergelijk Ebie , Bindehaut, p. 27» Aegyptische Augenentzündung. p. 121.) Het komt mij voor even zoo min steek te houden, om de gezamenlijke tepeltjes een corpus papillare te noemen, als deze benaming toe te passen op de cutis, waarvan de tepeltjes uitgaan.

Sluiten