Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met een scalpel iljne doorsneden loodregt op de vlakte der huid af te snijden ol af te schaven. In water nemen deze weder zoo volkomen hare vroegere gedaante aan, dat men de afzonderlijke bindweefsel-fibrillen erkennen en uit elkander trekken kan. Heeft men vooraf de huid in heet water gestoken , dan scheidt zich bij matige drukking met het compressorium het rete van de papillen zuiver af, met verdiepingen, die aan de uitstekende punten der cutts juist beantwoorden. Door de behandeling met heet water wordt te gelijk het rete wit en ondoorschijnend , ten gevolge van het stollen van het eiwit, epidermis en papillen blijven helder, en de witte zoom om de punten der laatste heen geeft een zeer sierlijk beeld.

Men overtuigt zich zoo doende, dat de tepeltjes, hoe fijner zij zijn, des te digter op elkander staan. De fijnste in den bal van den voet bezitten niet eik voor zich een bijzonder overtreksel van het Malpighische net, maar dit zendt slechts tusschen telkens 2—4 tepeltjes verlengsels naar binnen af; aan de vingers reiken de epidermis-scheeden ten minste telkens om den 2d™ of 4den tepel verder naar beneden, tot aan de basis toe, en de binnenvlakte der afgetrokken epidermis vertoont groefjes, die door zeer oppervlakkige uitstekende gedeelten in 2—4 vakjes verdeeld zijn (1). Het uiterlijk aanzien van de oppervlakte der huid verschilt, naar gelang de epidermis in de verdiepingen tusschen de tepels mede naar beneden gaat, of deze opvult. Zoo is b. v. aan de lippen, den eikel, het tandvleesch, de oppervlakte, niettegenstaande de diepte der voren, tusschen de tepeltjes geheel en al glad ; aan de handpalmklakte der hand ontstaan de bekende fraai geslingerde voren, omdat tusschen de reeksen van tepeltjes de epidermis naar binnen afdaalt; en aan de tong eindelijk volgt de laatste elke afzonderlijke tepel, en daardoor zijn er uitwendig even zoo vele draden en knobbels voorhanden, als de mucosa der tong tepeltjes heeft.

Eene met de papillen verwante soort van uitsteeksels , die bij den mensch alleen opliet slijmvlies der dunne darmen voorkomen, zijn de vlokken. Zij gelijken het meest op de draadvormige papillen der tong, in zoo verre elk van hen in eene afzonderlijke

(1) Wendt, Epiderm. fij. 1.

Sluiten