Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

scheede wordt opgenomen ; zij onderscheiden zich echter daarin van de huidtepels , dat zij , in plaats van vaat- en zenuwlissen, een divertikel van het watervaatnet der darm-mucosa in zich bevatten , dat door talrijke bloedvaten omsponnen is.

Er zijn verdubbelingen, vooruitspringende plooijen, én aan de uitwendige huid én aan de slijmvliezen aanwezig; deze tot beschutting, alsook om eene uitrekking der huid toe te laten (praeputium) ; gene tot vermeerdering der opzuigende of waarnemende of ir.et afzonderings-organen voorziene oppervlakte binnen in holten en kanalen. Van dien aard zijn de Kerkringsche plooijen van het darmslijmvlies , de columnae rugarum der scheede, de fijne netvormige plooitjes der galblaas , de klepvormige tusschenschotten der zaadblaasjes, enz. De plooijen laten zich uit elkander trekken, en de binnenvlakte wordt glad, wanneer men den spierrok en het buitenste vliezige gedeelte der tunica nervea , welke de kanalen van buiten overtrekken, wegneemt (1). Tot hetzelfde doel, als de pas vermelde verdubbelingen, komen er ook verdiepingen, zakjes en groeven op de slijmvliezen voor. Yaak is die onderscheiding geheel en al willekeurig , en men zou b. v. voor de galblaas even goed kunnen beweren , dat zij met groefjes voorzien is, waarin weder fijnere groefjes uitmonden , dan dat zij plooijen bezit, tusschen welke weder zwakkere plooitjes in verloopen (2). Waar de huid aan veelvuldige uitrekking is blootgesteld, b. v. op den rug der hand en der vingers, vormen zich talrijke oppervlakkige en diepere plooijen, deze o?er de gewrichten heen, gene tusschen de mondjes der haarzak-klieren, die bij het buigen glad uiteengaan. Eveneens legt zich op de buigvlakte der kleinere gewrichten en op den handpalm en aan de voetzool de huid in plooijen, die echter

(1) Zie E. II. Weber , De vesicularum seminalium structura, in K.BETZSCHMAR , Lineamentu pliysiologiae morbosae. Lips. 1836.

(2) Bij dieren zijn er groefjes en zakjes aan de uitwendige huid en aan liet slijmvlies, wier wanden met klieren bezet zijn; b. v. de klieren in deu krop der vogels, de moschus-beurs, de klaauwklier der herkaauwende dieren enz. Er ontstaat zoodoende eene soort van zaamgestelde klieren, in welke de eigenlijke klierkanaaltjes nit eene gemeenschappelijke holte uitgaan. Vergelijk b. v. MiiLLER, Gland. Secern, Tab. II, fig. 1, a. Streng genomen is echter de holte niet als integrerend deel der klier te beschouwen,

Sluiten