Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook bij uitstrekking der vingers en toonen zigtbaar blijven. Deze plooijen schijnen zich reeds bij de eerste ontwikkeling der huid te vormen. • Op andere plaatsen, b. v. op het voorhoofd, ontslaan zij door de zeldzamer werkende spieren eerst op lateren leeftijd, en zijn de niet zeer welkome getuigen , dat de lederhuid een zeker aantal dienstjaren telt.

Van de groefjes, die aan de mondjes der klieren beantwoorden, was reeds in het vorige hoofdstuk sprake. Ten aanzien der zweetkheren wil ik hier nog bijvoegen , dat hare mondjes in de voren tusschen de papillen liggen, waar zij, met name aan de buigvlakte der vingers, gemakkelijk erkenbare rijen vormen. Uit hen dringt, wanneer de huid turgesceert, het zweet in kleine droppeltjes naar buiten. Hun aantal is ongelijk; het beloopt b. v. volgens ëichhorn (1) aan de buigvlakte van het nageldragende lid des wijsvingers tusschen de 18—32 op eene vierkante lijn, als gemiddelde uit 10 tellingen, 25; op eene even groote oppervlakte van de hand , daar, waar de huid zich tusschen de vingers heenslaat, 75. Het gemiddelde aantal op eene vierkante lijn schat ëichhorn voor de andere ligchaamsdeelen op 50. Het aantal kronkelingen der uitlozing-kanaaltjes rigt zich naar de dikte der cutis. Zij maken er b. v. 20 25 aan de voetzool, 6—10 in den handpalm, en aan de dunste plekken der huid naauwelijks ééne (2). Yoor de plaatsing der haren verwijs ik naar het daarover handelende, voor de aan de haarzakjes toebehoorende klieren naar het vorige hoofdstuk (alwaar ook de latere onderzoekingen betreffende de zweeten haarzakklieren werden medegedeeld. I). III, blz.587,en. vervolg. Vert.).

(1) Meck. Arch. 182G, j>. 442.

(2) Wendt, in Miiu. Arcti. 1834, p. 280.

EINDE VAN HET DERDE EN LAATSTE DEEL.

Sluiten