Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Verbeening. III, 297. Vormen. 111,299. ; Verbeeningspnnten. III, 279.

Verklaring der afbeeldingen. I, 396. Vermoeijenis. III, 136.

Verrotting en gisting. I, 29.

Vervelling. I, 319.

Vervolgen. Betreffende: het beenweefsel. III , 289; het kraakbeenweefsel. III, 246; de lever. III, 368; de maagsap-klieren. 111, 382; de melkbolletjes.III, 42S; de nieren. III, 409; de Peijersche klieren. III, 390; de smeerklieren. III, 38S; de tanden. III, 338; de trosvormige klieren. III, 398; de uterus-klieren. III, 384; d$ ontwikkeling der zaaddraden. III. 447; het zenuwweefsel. III, 193; de zweetklieren, III, 386.

(In de beide eerste deelen zijn de vervolgen telkens als noten van den vertaler aan den text toegevoegd.) Verzeepbare vetsoorten. 1. 125. Vet-bases. I, 125. Vetblaasjes (in de

seereta). III, 421.

Veteellen (Vorming der). II, 92.

Vetten. I, 123.

Vetweefsel. II, 85. Ontwikkeling. II, 91. Vetzuren. I, 129.

Vezelkraakbeen. III, 231. Cellen. III, * 249. Ontwikkeling. III, 249. Vezels. III, 249.

Vliezen (Sereilzel. II, 53. Vliezen (Slijm). III, 498. Zenuwen der sereuze. II, 64. Vaatrijke, II, 61. Vezelige.II, 48. Zenuwen der vezelige. II, 63. Vloeistoffen van het oog. (Scheikundige

zamenstóllirig), II. 18.

Yoedingsvoeht en vaatstelsel. II, 106. Voorstellingen (Zintuigelijke). III, 141. Vorings-kogeltjes. I, 263. Vorings-proees(volg.Kölliker). I, 262.

W.

Water-extract. I, 75.

Watervaat-klieren, II, 332; verrigting.

II, 346.

Watervaat-netten. II, 321.

Watervaten. Der dieren. II, 349. Contractiliteit. II, 335. Klapvliezen. II, 331. Ontwikkeling. II, 346. Stammen, II, 326. Vliezen. II, 328. Vaten. II, 334. Zenuwen. II, 334.

Wederkeerige werking tusschen ziel en

ligchaam. II, 167Weefselvorming. I, 227^"

Weefsels (Invloed op de celvorming). I, 207.

Willekeurige beweging III, 166. Wijngeest-extract. I, 73.

Wondernetten. II, 306.

SB.

Zaad. Andere bestanddeelen behalve de

' draden. III, 439.

Zaaddraden. III, 431. Beteekenis. III, 475. Bewegingen der —. III, 435. Ontwikkeling. III, 441. Teruggang.^ III, 445. Verhouding tegen reagentia.' III, 437.

Zaamgestelde cellen. I, 215.

Zenuwen. Atrophie der. III, 174. Afmetingen der. III, 111. Bleeke. III, 196. Der beenderen. III, 258. Der ingewanden. III, 83. Grijze. III, 19; organische. III, 22; der ongewervelde dieren. III, 67 en 176; der sereuse vliezen.

II, 64; der vezelige weefsels. II, 63; verspreiding (peripherische) III, 33; idem der sensibile. III, 35; der huid—.

III,35; der gehoor—. III, 40; der retina. III, 39; der reuk —. III, 42; tong-, keelgat. III, 43.

Zenuw-invloed op de vaten. II, 293.

Zennw-lissen. III, 29, 82, centrale. III, 109.

Zenuw-kinwen. III, 215.

Zenuw-merg. III, 9. Stremming. III, 13, 194. Trilling. III , 111.

Zenuw-primitiefbuizen. III, 5; ascylinder. UI, 14, 195; bifurcatie. III, 215: herstelling. III, 221; ontwikkeling. III, 168, 220; omhulsel. III, 8; vrije einde. III, 215; verdeeling en verspreiding. IH, 216.

Zenuwvezels. Cerebro-spinale. 111,199: begrip van sympathische vezels. III, 199; fijne. III, 203; gelatineuze. III, 71; grove. III, 203; gelijkaardig in hare geheele lengte. III, 100: geïsoleerd zijn van elke vezel. III, 99; krachten. III, 96, 117; onderscheiding daarna. III, 96; overgang in gangliencellen. III, 204; regeneratie. III, 172; voortzetting in de hersenen. III, 81; verloop opgemaakt uit sympathische verschijnselen. III, 89.

Zenuwzelfstandigheid (Grijze). Ill , 67, en 192.

Zenuwvlechten. III, 27.

Zenuwwerkzaamheid buiten de prikkels. Ill, 125; herstelling. III, 173.

Zenuwwortels. (Voorste en achterste in het ruggemerg.) III, 62, 74.

Zintuigelijke voorstellingen III, 141.

Zintuigen (Erethismus der), III, 140. Reproductie in de —. III, 139.

Zonula Zinnii. II, 16.

Zoiimidine. I, 75.

Sluiten