Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

spreide koudvurige vervloeijing van het slijmvlies der luchtpijptakken aan; liet slijmvlies is daarbij in eene zeer verschillende uitgestrektheid of op enkele plekken vuil bruin-groenaclitig gekleurd, tot een weekvlokkig, vochtig, stukwrijfbaar , rotachtig stinkend weefsel ontaard; de bronchiaaltakken zijn met eene dergelijke, wankleurige, schuimende, stinkende, weiachtig ichoreuse vloeistof aangevuld.

NB. Over koudvuur der longen zie later bij koudvuur van parenchymateuse organen.

») STecroserins van liet spijsverterïngsslijmvlies.

1) Het slijmvlies der mond- en keelholte wordt aangetast door aphtheuse (I. bl. 332), syphilitische en varioleuse zweren ; — de tong is aan kankerachtige verwoesting onderhevig (I. bl. 204). Buitendien komt hier ook de koudvurige versterving (fégar), de stomacace en de waterkanker (zie I. bl. 332) voor. — Bijtende zuren rigten op het slijmvlies der mond- en keelholte dezelfde verwoestingen aan, als in den slokdarm en de maag.

2) Op het slijmvlies van den slokdarm vertoont zich de aphtheuse, varioleuse, (I. bl. 333) en kankerzweer (I. bl. 197), alsmede die, welke door bijtende zuren en tartarus stibialus (I. bl. 333) wordt voortgebragt; ook komt er in het onderste derde gedeelte van den slokdarm, vooral aan de linker zijde eene verweeking voor, die aan de maagverweeking volkomen gelijk is, met welke zij ook veelal verbonden voorkomt ; zij geeft somtijds aanleiding tot doorboring van den slokdarm en van het linker achterste mediastinum, ten gevolge waarvan de maag haren inhoud in den linker borstvlieszak kan uitstorten.

3) De maag is dikwijls de zitplaats van zeer verschillende verwoestingen; hier treft men namelijk, behalve de reeds vermelde folliculaire zweren (I. bl. 334) en de etterachtige verwoesting ten gevolge van ontsteking in h'et onderliggende celweefsel (I. bl. 334), behalve de typheuse (1. bl. 166) en de kankerverwoesting (I. bl. 196), ook nog de bloedige doorknaging en de doorborende maagzweer (zie verder) aan, alsmede de verzweringen, door bijtende zuren en tartarus stibialus te weeg gebragt.

4) In het darmkanaal treft men de volgende verwoestingen aan: de verweeking (witte geleiachtige, roode, bruine of zwarte) van het slijmvlies der dunne darmen en van den blinden darm; ■—de eenvoudige chronische zweer (die met de ronde doorborende maagzweer overeenkomt) alleen in het bovenste gedeelte van den twaalfvingerigen darm; — de zweren, door misbruik van tartarus stibiatus voortgebragt, komen, volgens engel, alleen in het ileum voor en ontwikkelen zich in de Peyer'sche en afzonderlijk staande slijmblaasjes. Zij zijn gewoonlijk in groot getal aanwezig, en, in de Peyei'sche klieren, in groepen opeengehoopt, zonder echter zamen te vloeijen, daarbij van de grootte van linzen, oppervlakkig, loutere slijmvlieszweren; hare randen zijn niet gezwollen, scherp, met eene dunne, geelachtige korst omzoomd, de bodem is glad, zonder afscheiding; het tusschenliggende slijmvlies is volkomen bloedeloos; genezing zag esgel in deze zweren niet. —De typheuse zweer is hoofdzakelijk in het ileum gezeten (I. bl. 163), zeldzamer in het dikke darmkanaal (I. bl. 166). De tuberke 1 zweer komt insgelijks meestal in het ileum voor (I. bl. 180); maar zij verkrijgt daarentegen in den blinden en endeldarm de grootste uitgebreidheid en de aanmerkelijkste diepte; dan komt zij nagenoeg in alles met de dysenterische verzwering overeen. — De catarrhale zweer komt als folliculaire (diarrhoïsche) alleen in de dikke darmen voor (1. bl. 339); in de dunne darmen tast de catarrhale verzwering de Peyer'sche klierplaten aan, vooral bij kleine kinderen (I. bl. 336) of vertoont zich in de gedaante van onregelmatige aanvretingen in de slijmvliesplooijen. — De dysenterische verwoesting bepaalt zich tot de dikke darmen (1. bl. 340) en brengt dysenterische zweren (l. bl. 341) of pu-

Sluiten