Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waargenomen. Breidt zij zich uit, dan tast zij het eerst het linker achterste middelvlies aan en veroorzaakt doorboring met uitstorting in de linker borst vliesholte.

Verwoesting -van liet slijmvlies door bijtende minerale zuren*

De graad der verwoesting van het slijmvlies der mondholte, van de keelholte, den slokdarm en de maag, na de inwerking van scherpe delfstoffclijke zuren, verschilt naar den graad hunner concentratie, de hoeveelheid, die met het slijmvlies in aanraking kwam en den tijd, dat hunne inwerking duurde. Gewoonlijk neemt de verwoesting van boven naar ouderen, van de mondholte naar de maag, toe en is in laatstgenoemd ingewand het hevigst. In den ligtsten graad is alleen het epithelium vernield en in eene dikke, grijsachtig witte (of, na de inwerking van salpeterzuur, gele) massa veranderd, die met het vlokkig gestremde slijm vermengd is; het onderliggende slijmvlies is bleek. — In eenen hoogeren graad is de oppervlakkige laag van het slijmvlies aangetast, verschrompeld, vuilwit, loodkleurig (of geelachtig door salpeterzuur), het bloed in de haarvaten zwart en gestremd. De diepere laag van het slijmvlies en het onderslijmvliescelweefsel zijn weiachtig geïnfiltreerd ; het slijm is iii de slijm blaasjes tot grijsachtige propjes gestremd. — In nog hoogeren graad is het slijmvlies in zijne geheele dikte tot eene vuilwitte, met vaten, die een zwart, gestremd bloed bevatten, doortrokken laag verschrompeld; het onderliggende celweefsel is weiachtig geïnfiltreerd en met ecchymosen doorzaaid, het spiervlies is zamengetrokken, verbleekt en vaal.— In den hoogsten graad is het slijmvlies, benevens het onderslijmvlies-celweefsel tot eene gemakkelijk weg te krabben, murwe, zwarte, met eene bloederige wei doortrokken massa verkoold; de naburige deelen zijn meer of minder door het zuur verschrompeld of verweekt en het bloed is in de vaten teerachtig verkoold. — Dezen laatsten graad treft men inzonderheid aan in de maag (die meestal met stinkende gassen is uitgezet), alwaar hij tot enkele plekken en slijmplooijen beperkt of over de geheelc oppervlakte uitgebreid is; de lagere graden vindt men in den slokdarm en de keelholte, de ligtste vertoont zich in de mondholte en het begin van het darmkanaal, waar het slijm en de chyl gestremd, het epithelium verschrompeld, het slijmvlies bleek en met zwartachtige haarvaten doortrokken, wordt aangetroffen.

Uitgangen en gevolgen. Bij den hoogsten graad der verwoesting treedt de dood in, bij den laagsten volgt er, na afstooting van het verstorven epithelium, eene volledige genezing. De hoogere graden brengen eene reactive ontsteking in het omringende weefsel en ettering met losstooting van het verstorven gëdeelte te weeg, daarop volgt cicatrisatie, die, naarmate van de diepte van het verlies, een meer of minder zamensnoerend, weivliesachtig, fibreus of calleus likteeken voortbrengt; of de ettering wordt slepend , hetgeen vooral na eene diepe inwerking van het zuur plaats grijpt, en er vormen zich abscessen of pijpzwerige gangen in den II. 2

Sluiten