Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van acute ontsteking, in verettering en verzwering, of ondergaan bij chronische ontsteking eene geleiachtig-spekachtige infiltratie en calleuse verharding. Dikwijls worden er pijpzwerige gangen, van de etterverzameling in het been tot op de huid (caries aperta) gevormd cn vertoonen hier eene door opgeworpen, harde, walvormige randen omgevene opening. — De caries geneest, door dat de verzwering tot eene goedaardige, vleeschheuveltjes voortbrengende ettering overgaat, met of zonder voortbrenging van nieuwe beenzelfstandigheid, altijd met achterlating van een likteeken (I. hl. 393).

1) De schedelbeenderen, die wegens hun maaksel meer neiging tot necrosis dan tot caries hebben, worden desniettegenstaande ook dikwijls door deze laatste aangetast (vooral het voorhoofdsbeen en de processus mastoïdeus), zelfs wanneer men de syphilitische, tuberculeuse en kankerachtige caries niet mederekent. Dikwijls wordt zij door traumatische oorzaken of in het algemeen door uitwendige invloeden voortgebragt, dikwijls ook door inwendige. In vele gevallen wordt zij door een ander voorafgaand lijden van het been zelf (exostosis, osteosclerosis) of door ontsteking, verettering en verzwering van naburige organen bedongen (b. v. door ontsteking der vliezige deelen van het inwendig oor, van de neusholte, slijmboezems, de banden der halswervelen enz). Dikwijls sleept zulk eene caries ontsteking der hersenvliezen en zelfs van de hersenen na zich. Zij tast of de uitwendige of de inwendige oppervlakte van den schedel aan of neemt het been in zijne geheele dikte in, waarnaar de ziekteverschijnselen verschillend gewijzigd zijn.

2) Caries der aangezigtsbeenderen wordt het menigvuldigst waargenomen aan die, welke de neusholte helpen daarstellen , en brengt hier de verschijnselen van verkoudheid, ozaena en neusstem te weeg. Verder zijn ook niet zelden de wanden van het anlrum highmori, liet verhemelte en de onderkaak de zitplaats van caries.

3) Het borstbeen is, wegens zijn sponsachtig maaksel, zeer tot caries voorbeschikt ; de opwekkende oorzaken bestaan nu eens in kneuzingen en breuken , dan weder in eene op het been overgaande verzwering der bedekkende zachte deelen.

4) Caries der ribben is, wat haar achterste uiteinde betreft, gewoonlijk van verzwering der wervelen, in haar voorste uiteinde van caries van het borstbeen afhankelijk. In haar middelste gedeelte worden de ribben somtijds door een etterig of ichoreus vervloeijend pleuritiseh exsudaat, carieus verwoest.

5) De caries der wervelen, het meest in het hals- en lendengedeelte voorkomende, is in de meeste gevallen van tuberculeusen oorsprong; de zuiver ontstekingachtige caries der wervelen wordt gewoonlijk alleen door ontstekingen en veretteringen van naburige deelen, (van den toestel der wervelbanden, van den psoasspier) opgewekt.

6) De gewrichtsuiteinden der pijpbeenderen zijn, bij de zoogen. arthrocaces, zeer dikwijls de zitplaats eener primaire, of van eene secundaire, door verettering der zachte deelen te weeg gebragte caries.

7) De beenderen van het bekken worden inzonderheid aan het heupgewricht (bij de coxarthrocace), als ook, ten gevolge van decubitus, verettering van naburige spieren, opslorpende klieren enz., door caries aangetast.

c) Koudvuur der beenderen, osteonecrosis, necrosis, dat naar mate van zijne zitplaats en uitgebreidheid eene necrosis superficialis s. externa en eene ccntralis s. interna, alsmede eene partialis en totalis (die hoogst zeldzaam is) zijn kan, komt in de meeste gevallen met de drooge versterving (de mumificatie) der zachte deelen overeen (er is ook een vochtig koudvuur der beenderen) en ontstaat nu

Sluiten