Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eens door uitwendige oorzaken, die de voeding van het been opheffen (zoo als: ontblooting, schudding, kneuzing van hetzelve), dan door inwendige, niet zelden djscratische invloeden, ten gevolge van ontsteking, verettering of verzwering van het beenvlies, van het mergvlies of van het been zelf. De necrosis komt menigvuldiger in de compacte, aan vaten arme zelfstandigheid van platte- en pijpheenderen, dan in de mergzelfstandigheid voor, zij vertoont zich meer in hoogeren leeftijd en is goedaardiger dan de caries, dewijl, na de afstooting van het verstorvene beenstuk, het verlies van zelfstandigheid door eene ettervormende ostitis in den omtrek hersteld of ten minste onschadelijk gemaakt wordt. Het gunstige beloop bij de necrosis komt op het volgende neer: eerst sterft het been of een gedeelte van hetzelve af; rondom het verstorvene komt ontsteking en ettering tot stand, waardoor het genecroseerde gedeelte zich van den omtrek losmaakt en langzamerhand opgelost of uitgeslooten wordt, waarna zich nieuwe beenzelfstandigheid in de plaats der verlorene vormt.

Pathologisch-anatomische verschijnselen. Het afgestorvene beenstuk vertoont zich in zijne uitwendige eigenschappen, wanneer het namelijk niet door ichor ontkleurd (grijs of zwartachtig) en afgeknaagd is, niet zeer van het gezonde beenweefsel onderscheiden, slechts een weinig bleeker en somtijds vaster; zijne grenzen zijn zelden scherp geteekend, meestal zeer onregelmatig, bogtig, takkig en van eene ongelijke dikte. — Aan den omtrek van het verstorvene ontwikkelt zich eene ontsteking in de levende beenmassa (die eene grenslijn vormt), door welke deels een etterachtig, deels een fibrineus, granulatien vormend exsudaat wordt voortgebragt, zoo dat het verstorvene beenstuk langzamerhand wordt opgeheven, en van het levende gescheiden (als wanneer men het den naam van sequester geeft), Bij deze ontsteking (I. bl. 388) wordt het been weefsel in den omtrek van het genecroseerde gedeelte, aanvankelijk saprijker, poreuser, etterig geïnfiltreerd en eindelijk door eene roode, weeke, sponsachtige zelfstandigheid (granulatien) verdrongen, die somtijds in de openingen van het in den etter gemacereerde sequester voortwoekert, en zoodoende hetzelve vasthoudt en zijne volledige losmaking verhindert. Bij de aanwezigheid van ongunstige plaatselijke of aigemeene invloeden, kan deze ontstekingen ettering ook wel in ichoreuse versmelting en verzwering ontaarden. — Het herstellingsproces begint, reeds voor de verwijdering van het verstorvene, met de vorming van granulatien en gaat grootendeels van het nog gezonde beenweefsel uit; ondertusschen schijnen vele gevallen te bewijzen, dat door ontsteking van het beenvlies en zelfs van andere naburige zachte deelen een verbeenend exsudaat gevormd kan worden (I. 394). Naarmate van de zitplaats der necrosis aan den omtrek of in het midden van het been, als ook naarmate van hare uitbreiding, vertoont de nieuwe beenvorming eenige wijzigingen. In ongunstige gevallen wordt het vezelstol'exsudaat niet tot verbeenend kraakbeen of callus, maar tot een celachtig fibroïd weefsel bewerktuigd; ook zag men er somtijds epitheliaalwoekeringen uit te voorschijn komen (epitheliumkanker; 1. bl. 122),

Sluiten