Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die zich door den fistuleusen gang tot aan hare uitwendige opening op de huid voortzetteden.

Bij de gedeeltelijke oppervlakkige necrosis, bladert het verstorvene beenstuk, wanneer het geene aanmerkelijke dikte heeft, ten gevolge der suppurative ontsteking, zeer spoedig af en laat een ingedrukt likteeken achter, dat, met de naburige zachte deelen, die insgelijks in de ontsteking gedeeld hebben en calleus ontaard zijn, te zamen groeit. Bij eene meerdere dikte en derhalve slechts langzaam plaats grijpende losmaking van het koudvurige beenstuk, als ook bij inwendige necrosis, vormt zich door de verbeening van het vezelstofexsudaat, door de omringende ostitis en periostitis te weeg gebragt, een beenige, op zijne binnenste oppervlakte met granulatiën bezette koker rondom het sequester (d. i. de beenkoker, capsula sequestralis), die openingen bevat, verschillend van getal, grootte en gedaante. De talrijke kleinere openingen dienen tot doorlating van bloedvaten; de grootere (foramina grandia, cloacaé) hebben eene ronde of eironde gedaante, de grootte van erwten of boonen; naar binnen toe naauwer wordende en insgelijks met granulatiën bezet, geleiden zij in de holte van den beenkoker en staan van buiten met de fistuleuse gangen der zachte deelen in verband; daardoor houden zij eenen uitweg open voor het beenstuk en den verzamelden etter. Buitendien zijn er somtijds nog andere, onregelmatige, kleine of zeer groote, van bogtige randen omgevene openingen in de nieuwe beenmassa aanwezig, die meestal met etterverzamelingen of pijpzweren in de zachte deelen te zamen hangen, en die van eene gebrekkige of op sommige plekken geheel achterwege blijvende herstelling, bij uitgebreide verstervingen, afhankelijk schijnen te zijn. — Na de verwijdering van het sequester uit zijnen koker, groeijen de granulatiën op de inwendige oppervlakte van dezen laatsten voort, tot zij de holte geheel aanvullen, waarop zij allengs verbeenen en zoodoende eenen vasten beencijlinder vormen, in welken zich echter langzamerhand, door de verwijding der mergkanaaltjes, eene nieuwe mergzelfstandigheid ontwikkelt. Dan bestaat het genezen been, van buiten naar binnen, uit de nieuwe, onder het periosteum afgezette beenlaag, uit eene plaat van het oude been en het meest naar binnen, uit de verbeende granulatiën. Aanvankelijk is de donkergekleurde, nieuwe, van de lichtere, oude beenmassa door eene duidelijke grei^liju afgescheiden, langzamerhand versmelten zij tot eene gelijkmatige massa. Zoo wordt ook het in den aanvang plompe, dikke, onevene been allengs meer en meer aan het normale gelijk, hoewel het somtijds op sommige plekken poreuser, op andere digter dan gewoonlijk blijft. Ook heeft er somtijds eene langzame zamentrekking van het beenlikteeken (even als bij de zamentrekkende likteekenen der zachte deelen) plaats, waardoor verkorting van het lid of vernaauwing der beenachtige holte (van den schedel) wordt veroorzaakt.— Bij de herstelling van totale (de geheele dikte van het been innemende) verstervingen, wordt het verlorene stuk nimmer volkomen vervangen , waardoor het been dikwijls aanmerkelijk verkort wordt; ook vormt er zich dan niet zelden een tegennatuurlijk gewricht. — Ondertusschen wil men, dat

Sluiten