Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tritus) deszelfs uittering (ostcolyosis). — Volgens engel vertoont zich de kanker, in het inwendige van het been, somtijds als eene witachtige, melkaardige, kleverige vloeistof. De verzwakte beenderen vertoonen zich in dit geval, wanneer de ziekte nog niet lang geduurd heeft, alleen een weinig poreuser; bij langeren duur, hebben zij hun sponsachtig weefsel geheel verloren, en de pijpbeenderen stellen dan zeer breekbare, holle cylinders met uiterst dunne wanden daar, wier oppervlakte insgelijks ruw, als het ware afgeknaagd is.

De verwoesting, die de aangezigts- en schedelbeenderen bij den zoogen. aangezigtskanker ondergaan, kenmerkt zich, volgens rokitansky, in tegenoverstelling van ieder ander verwoestingsproces, door hare negative teekenen. De beenschors en het diploë worden bij wijze van versmelting (corrosie) vernield en men ziet overal een normaal beenweefsel te voorschijn komen, zonder eenig spoor van losse aanzwelling, ostcopliytvorming of sclerosis. -—- Hiermede lieeft, vooral wat de kraakbeenige deelen van het been betreft, de wegsmelting veel overeenkomst, welke het been bij noma (1. bl. 332) ondergaat; het verkrijgt dan het aanzien van verkalking (froriep). — De fungus cranii en durae matris veroorzaakt vertering der schedel beenderen en woekert door de ontstane opening voort. — De ribben en het borstbeen worden van uit de mamschijven door kanker aangetast; evenzoo ontaarden de bekkenbeenderen dikwijls door drukking van woekerende kankermassa's uit den endeldarm, de baarmoeder en de scheede. — Kankerachtige producten komen aan de ruggegraat zeldzamer dan aan andere beenderen voor, maar vertoonen zich toch somtijds, in den vorm van fibreusen of van geïnfiltreerden mergkanker. De wervelkanker schijnt evenzeer primair als secundair tot ontwikkeling te kunnen komen en somtijds acuut ter verloopen ; altijd verspreidt hij zich over meerdere wervelen, (vooral over de ligchamen) en veroorzaakt de hevigste ruggepijnen met stoornis in de werkzaamheid der ruggemergzenuwen, zelden gedaanteveranderingen der ruggegraat.

ƒ) Syphilitische beenverwoestingen komen bij voorkeur in harde, met weinige zachte deelen bedekte beenderen tot stand (in de schedelbeenderen, het harde verhemelte, het scheenbeen, sleutelbeen, borstbeen, in de ligchamen, maar nimmer in de uiteinden der pijpbeenderen) en zijn de gevolgen eener ontsteking, die hare voortbrengselen (meer fibrineuse, verbeenende en tuberkelvormige dan etterige) zoo wel in de beenderen (vooral etter) als tusschen deze en het periosteum nederzet, en die, even als elke andere beenontsteking, tot hyperostosis, osteophytvorming, osteoporosis, sclerosis, caries en necrosis (met een zoogen. syphilitisch sequester) aanleiding geeft. De uitzettingen van het been, die hierbij voorkomen (tophi, nodi) zijn of gevolgen der osteoporosis of van de hyperostosis en vertoonen derhalve nu een sponsachtig, dan een vast weefsel; übroïde of calleuse exsudaten, die meer van ontsteking van het beenvlies dan van ostitis afhangen, vormen de gummata.— Verwoesting van het been kan nu bij syphilis op de volgende wijzen tot stand komen: ten gevolge van de afknaging der beenoppervlakte door den etter eener syphilitische zweer in de zachte deelen; ten gevolge van de drukking (^usara, detritus), welke een calleus, op den bodem eener syphilitische zweer der zachte deelen gevormd likteekenweefsel op de zachte deelen uitoefent; ten gevolge van verettering en verzwering, na syphilitische ontsteking, die, het zij aan de oppervlakte, het zij in de diepte van een normaal of reeds

Sluiten