Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jes in een bewerktuigd, pleuritisch exsudaat (in pseudoliga meuten en — membranen), het zeldzaamst bij bloedstilstand in de vaten derpleura. Het is overigens onmogelijk, eene spontane uitstorting van bloed in den borstvlieszak van de ophooping eener andere vloeistof op die plaats, door het natuurkundig onderzoek te onderscheiden.

3) Bloeding- in liet buikvlles.

De peritonaeorrhagie komt alleen door verscheuring van buiksingewandeo (milt, maag) of van vaten (bij aneurysmata) tot stand. Hare natuurkundige teekenen zijn dezelfde, als van andere uitstortingen in de buikholte maar de vloeistof zinkt, wegens hare lijmigheid en neiging tot stremming, slechts langzaam naar de laagste plaatsen af.

4) Bloeding in liet liartezakje.

Bij het haematopericardium is het uitgestorte bloed nagenoeg altijd slagaderlijk, en ten gevolge van scheuring der linker kamer of van het begin der aorta in het hartezakje gekomen. De hoe-' veelheid bedraagt naauwelijks meer dan 2—2~ pond.

5) Bloeding in den scheederok.

De haematocele van den scheederok des bals (de bloedbreuk, van welke men drie soorten aanneemt: uitstorting van bloed in het scheedevlies, in het celweefsel van den balzak en in het weefsel van den bal) ontstaat somtijds spontaan, ten gevolge van verscheuring van varikcuse vaten in den plexus pampiniformis, het meest echter bij de punctie der hydrocele \cx vacuo ?).

O) Amnioiihloeding.

Haemorrhagiën in de holte van het amnion komen alleen door verscheuring van placentaire vaten (II. bl. 46) tot stand en geven hoogstwaarschijnlijk aanleiding tot het ontstaan van vleeschmolae, zoo als zij ook zonder twijfel zeer snel abortus kunnen verwekken.

E. Waterverzanieliugeii.

Abnormale waterverzamelingen (I. bi. 108) komen voor: in wei vliezige zakken (hydrops), in hel parenchyma der organen (oedema), in opene holten, wier uitlozingsbuizen gesloten zijn (onware hydrops) en in nieuw gevormde holten (zakwaterzucht, hydatiden). Zij ontslaan door vermeerderde afscheiding van bloedvvei (uit de aderlijke haarvaten), door verminderde opslorping van de waterachtige bestanddeelen der weefsels (door de lymphatische en haarvaten), of' door eene te groote waterachtigheid der voedingsvloeistof (en van liet bloed). In al deze gevallen is de waterzucht slechts

Sluiten