Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eene weiachtige vloeistof' nog blazen (hydatiden , acephaloeysten) van een albumineus, geleiachtig stremsel bevat, die in verschillend getal en grootte voorhanden, met wei gevuld en gespannen of zamengevallen en gebersten zijn, vrij ronddrijven of aan den binnenwand der cyste gehecht zijn. Menigmaal vindt men ook nog geëxtravaseerde gal of bloed in de blaas. — De gewone zitplaats der acephalocystenblaas is de regter leverkwab; somtijds is er slechts e'e'ne (die dan niet zelden eene aanmerkelijke grootte, tot 1' bereikt), dikwijls zijn er meerdere, grootere en kleinere, al of niet in onderlinge gemeenschap staande blazen voorhanden. Door hare vergrooting verdringen zij het weefsel der lever, dat zich somtijds muskaatnootachtig voordoet, puilen boven hare oppervlakte uit, en geven aanleiding tot ontsteking en door deze tot eeltachtige verdigting, als ook tot vergroeijing van het weivliezige leveromhulsel met de naburige deelen. Dikwijls zijn de blazen zelve aan ontsteking onderhevig en deze brengt dan in hare holte gelijke producten, als bij dc ontsteking van weivliezen (I. bl. 249), tot stand, waardoor de dood der acephaloeysten, oplossing der hydatiden, verettering en verschrompeling van den moederzak (genezing) wordt voortgebragt. Somtijds opent zich ook wel de acephalocystenblaas en stort haren inhoud (soms in geleiachtige lappen of klompen opgelost) of in de buikholte of in het darmkanaal (duodenum of colon) uit, of in de galwegen, in een naburig bloedvat, in de regter pleura of in een door eene plaatselijke peritonitis voortgebragt zakabsces enz. Op de ontlediging der blaas volgt somtijds verschrompeling van den zak en genezing. De acephaloeysten der lever gaan niet zelden met acephaloeysten van andere organen (van de longen, de milt, de nieren), verder ook nog met kanker in andere deelen gepaard. Groote zakken geven aanleiding tot ascites (door drukking op dc poortader) en kunnen somtijds ook reeds door den buikwand henen , door middel van de zoogen. hydatidensiddering herkend worden.

3) Sereuse cysten der longen. Zij zijn zeer zeldzaam, en wanneer zij voorkomen, meer acephalocysten-blazen dan eenvoudige sereuse cysten. De eersten heeft men slechts bij één tegelijk, ter grootte van een duivenei tot eene mansvuist, zoowel in de bovenste als in de onderste longkwab, gewoonlijk met gelijktijdige acephaloeysten der lever, aangetroffen. Deze blaas ontwikkelt zich, volgens rokitanskt, ongetwijfeld in het interstitiële celweefsel der long, en veroorzaakt door hare drukking op het parenchyma eene ontaarding van hetzelve in een fibro-celluleus weefsel (obsolescentie). Zelden opent zulk eene blaas zich in de luchtpijptakken; blazen, die door de luchtwegen uitgeworpen worden, zijn meer acephaloeysten uit de lever.

4) Sereuse cysten der milt, in den vorm der acephalocystenblaas , zijn uiterst zeldzaam en dikwijls tegelijk met vorming van' cysten in de lever en de longen voorhanden; zij bereiken geene bijzondere grootte.

5) Sereuse cysten der nieren komen voor: als eenvoudige beurzen van de grootte van gierstekorrels tot die van walnoten of ganzeneijeren, met eenen kleurloozen, geel-, bruin- of zwartach

II. 5

Sluiten