Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tigen, waterigen, dikachtigeu (nimmer urineusen) inhoud gevuld, verschillend in getal, somtijds in zulk eene menigte aanwezig, dat de vergroote nier uit een aggregaat van deze blazen schijnt te bestaan (aangeboren als blaasnier), gewoonlijk boven de bastzellstandigheid en de oppervlakte der nier uitpuilend. Zij ontwikkelen zich dikwijls, ten gevolge van nierontsteking, vooral bij de brigiit sche ziekte. Rokitansky houdt deze cysten niet voor verwijdingen van de uiteinden der piskanaaltjes in de nuLMGin'sche ligchamen, ten gevolge van verstopping, maar gelooft, dat zij op eene gedaanteverwisseling van de celachtige bedding van het malpighi sche ligchaam berusten, die in eene sereuse blaas overgaat, ten gevolge van de drukking, die het gezwollen en met ontstekingsexsudaat overvulde ligchaampje op dezelve uitoefent, terwijl dit bed, bij zijne gedaanteverandering de vaten van het nierkwabje in zich opneemt, ten einde eene nieuwe afscheiding in zijn weefsel tot stand tenrengen. — De acephalocystenblaas, die niet zelden eene zeer belangiijke grootte bereikt, kan zich in het darmkanaal en de piswegen openen en daarna verschrompelen. — De zamengestelde cystoïden woiden zelden in de nieren aangetroffen, maar bereiken, even als in den eijerstok, eene enorme grootte.

6) De sereuse cysten der schildklier [struma cystica saccata, hydrobronchocele), het zij nieuwe vormsels, het zij gemetamorphoseerde acini (?), komen voor in de gedaante van eenvoudige cysten of, gelijk S. eenmaal waarnam, als acephalocystenblaas; deze laatste had zich, na doorboring van het ringvormig kraakbeen, in het strottehoofd ontlast, waarbij hydatiden, ter groote van erwten tot hazelnoten, met hoesten uitgeworpen werden.

7) Het onderhuidscelweefsel wordt, ten gevolge van de vorming van zoogen. toevallig weivliesweefsel (I. bl. 280), niet zelden de zitplaats van sereuse cysten; bijzonder in het oog vallend is het hygroma aan de zijvlakte van den hals (ook hydrocele colli genaamd). ,

8) Sereuse cysten aan weivliezen. Slechts het buikvlies (aan de breede baarmoederbanden, de eijerstokken, de eijerleideis en het groote net), benevens de scheederok van den bal, worden niet zelden de zitplaats van sereuse cysten. Zij ontwikkelen zich luer °P tweeërlei wijzen: of op de inwendige, vrije oppervlakte van het weivlies (waar zij eene fijnvliezige, op eene breede grondvlakte zittende blaas van geringen omvang vormen), of in het onderliggende celweefsel (dikwijls langgesteelde, dikwandige blazen daarstellend).

9) Sereuse cysten in fibreus weefsel komen, als eenvoudige blazen, inzonderheid aan de pezen voor, in en tusschen aponeuiotische uitspansels en scheeden, als mede in het beenvlies.

10) In de beenderen zijn de sereuse beurzen eene zeldzaamheid, ondertusschen heeft men ook daar eenvoudige cysten, zamengestelde cystoïden en acephalocystenblazen ontdekt.

11) Het spierweefsel wordt somtijds, hoewel zelden, door den echinococcus, meermalen door den cysticercus aangedaan; de laatste wordt ook wel in de spierzelfstandigheid van het hart aangetroffen (en dan ook te gelijk in andere spieren). Acephaiocysten

Sluiten