Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nam men in de spiermassa' van het hart zelden waar, het meest nog in het regter hart; zij waren nu eens gesloten, dan eens gebersten en puilden somtijds ver in de holte uit.

12) Cysten (hydatiden) der aderlijke vlechten, die dikwijls voorkomen, stellen fijnvliezige of dikwandige, gespannen of slappe, vaten bevattende, eenhokkige of somtijds in kleine vakken verdeelde, eene heldere of witachtig troebele wei, menigmaal ook beengruis bevattende blazen, ter grootte van papaverzaden tot boonen, daar, die somtijds in zoo groote menigte voorhanden zijn, dat zij aan de aderlijke vlecht het aanzien eener druiventros geven. Zij komen nagenoeg nooit in jeugdigen, dikwijls in meer gevorderden leeftijd (met hydrocephalus ex vacuo, verdikking en oedeem der binnenste hersenvliezen), meestal slechts in de zijdeling sche vlechten, vooral van den achtersten hoorn voor. Volgens rokitansky zijn deze hydatiden eene ziekelijke ontaarding der klierachtige, aan de aderlijke vlechten eigene acini of vlokken (overeenkomende met de hydatiden der nieren). Velen houden haar voor verwijdingen der lymphatische vaten of van capillaire bloedvaten.

13) In de hersenen komt somtijds, maar zelden, de acepha1 ocy sten bla as voor, die gewoonlijk zeer fijn van wanden is en dikwijls slechts eene enkele, de moederblaas geheel aanvullende acephalocyste bevat. De eenvoudige en zamengestclde cysten komen in de hersenen niet voor.

14) In het ruggemerg nam bokitansky herhaaldelijk den cysticercus in het halsgedeelte waar. De "acephal ocystenbl azen, die in het wervelkanaal gevonden werden, behoorden niet tot het ruggemerg, ja zij zaten zelfs buiten de dn ra mater.

V. ^wijking In grootte en massa.

Elk weefsel en elk orgaan kan, ten opzigte van zijne massa en zijne grootte, eene abnormale vermeerdering of vermindering ondergaan; holten en openingen kunnen zich verwijden of vernaauwen {zie I. bl. 146). —De toename in grootte en massa (I. bl. 144) hangt van vermeerdering van het normale weefsel af (ware hypertrophie), of zij wordt door de ophooping van nieuwe heterogene bestanddeelen bedongen (onware hypertrophie). De vermindering (I. bl. 143) is of een gevolg der kwijnende voeding (atrophie) of van eene voorafgegane verwoesting of verandering van liet weefsel (phthisis, obsolescentie, aLropliie).— De oorzaken der vernaauwingen en verwijdingen (I; bl. 146), die zeer verschillend van aard kunnen zijn, zijn ol in den wand van het holle werktuig of binnen of buiten hetzelve gelegen.

5 *

Sluiten