Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gen (vooral met lood), dyscrasiën (inzonderheid tuberculosis en kanker), vetzucht, chronische hersen- en ruggemergziekten enz., het'geval is. Daarbij vermindert het spierweefsel niet slechts in omvang en massa, maar het wordt ook bloedarmer, ligter verscheurbaar, slap en bleek.-— Gedeeltelijke atrophie der spieren kan veroorzaakt worden: door langzaam voortgaande, sterke uitrekking (bij scoliosis, verwijding van het hart), door drukking (van vergroote organen, verwijde holten, vreemde vormsels: kropgezwel, hydrops, aneurysmata, kankergezwellen enz.), door onvoldoende werkzaamheid en verlamming, door eene voortdurende, van overmatige innervatie afhankelijke zamentrekking der spier. liet atrophische spierweefsel vindt men dun, week, zeer verscheurbaar, bleek bruin of geelachtig, bloedledig en droog; in vele gevallen wordt ook de spierzelfstandigheid door een ander (fibroïd- of vetweefsel) geheel verdrongen. Zoo atrophiëren zamengetrokken spieren dermate, dat zij onder trapsgewijze verbleeking, in het bleek geelroodachtige, vale en eindelijk vuilwitte overgaande, tot eenen vasten, gespannen, fibroïden streng ontaarden. Spieren, die volstrekt werkeloos zijn, teren uit, terwijl hare zelfstandigheid in vet ontaardt.

a) Atrophie van het hart. De uittering van de spierzelfstandigheid van het hart, die zelden voorkomt en algemeen of gedeeltelijk is, kan slechts met groote moeite (door meting en weging van het hart) in het lijk, maar nog moeijelijker in het levende ligchaam herkend worden. Volgens de daarmede gepaard gaande wijdte der holligheden onderscheidt men: de eenvoudigé atrophie, d. i. vermagering der spierzelfstandigheid en vermindering van den omvang van het hart, by normale wijdte der holten; — de excentrische atrophie: vermagering der wanden met verwijding der holten, die zich daardoor van de verwijding van het hart onderscheidt, dat bij deze laatste de onveranderde spiermassa over eenen grooteren omvang uitgebreid is en het gewigt van het hart zich normaal verhoudt, terwijl bij de excentrische atrophie (die overigens met eenen normalen, verminderden of vermeerderden omvang van het hart kan

gepaard gaan) de vermindering van zwaarte duidelijk merkbaar is;

de concentrische atrophie: normale of zelfs vermeerderde dikte van den wand, met vernaauwing der holten. Zij komt van alle soorten het veelvuldigst voor, is steeds met vermindering van omvang verbonden en komt met de oorspronkelijke kleinheid van het hart (gebrekkige ontwikkeling) overeen.

De spiermassa van liet hart is bij hare uittering taai, vast en roodbruin, of slap, ligt verscheurbaar, roestkleurig, lederachtig, geel en vaal. Het vet is verdwenen; het onderweivliescelweefsel aan de grondvlakte en de punt van het hart weiachtig geïnfiltreerd, het hartezakje gewoonlijk gerimpeld, troebel en verdikt, de kroonvaten zijn sterk gekronkeld.— De oorzaken van de atrophie van het hart zijn gelegen: of in eene algemeene uittering (na typhus, pyaemie, kanker, marasmus, scorbut, hydraemie, algemeene vetzucht enz.), of in het hart zelf (vernaauwing en verbeening der kroonslagaderen, vetophoopingen of digte exsudaatlagen op het hart, insufficiëntie der klapvliezen), of in het hartezakje en de nabuur-

Sluiten