Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De niet-ontstekingaclitige hyperostosis is, volgens kokitansky, het uitvloeisel eener langzaam voortgaande, overvloedige vorming van verbeenend kraakbeen^n verzadiging van hetzelve met de gewone kalkzouten, waaraan bij voorkeur harde beenderen onderhevig zijn (zoo als de schedelbeenderen, de ligchamen der pijpbeenderen). Deze hypertrophie wordt door geene ziekelijke ontaarding van het beenweefsel, als oorzakelijk ziekteproces, voorafgegaan j het been vertoont eene evene, gladde, bij hooge graden echter, eenigzins ongelijke oppervlakte, een normaal periosteum, en bij de sclerosis met vermeerderde, ivoorachtige digtheid en hardheid, een overigens onveranderd maaksel.

Exostosis en osteophyt. De eerste (I. bl. 392) ontspruit zeldzamer uit eene ontsteking dan wel uit bloedstasis, terwijl het laatste (I. bl. 390) altijd ontstekingachtig fan oorsprong is; tusschen deze beide beengezwellen bestaan echter zoo vele overgangsvormen, dat men somtijds niet met zekerheid kan zeggen, of men het eene, dan wel het andere voorheeft.

De exostosis, een geheel en al beenachtig, op een been vastgehecht, met hetzelve een organisch geheel daarstellend, meer of minder scherp omschreven aangroeisel, bestaat of uit eene harde, of uit eene sponsachtige beenzelfstandigheid. Het beenvlies is in de meeste gevallen boven de exostosis onveranderd van maaksel, somtijds veidikt, hypertrophisch, vaster aangehecht. — De compacte exostosis, die het veelvuldigst voorkomt, heeft somtijds (vooral op reeds verharde beenderen) een nog digter maaksel dan de beenschors en heet dan ivoorachtig. De compacte exostosis is of een verschijnsel van de hypertrophie van een been, of het gevolg eener plaatselijke aandoening (gewoonlijk op een hard been, meest aan den schedel). In het laatste geval schijnt zij uitwendig op het been vastgelijmd en vormt meestal eenen plano-convexen, eironden, cijlindrischen knobbel, ter grootte eener gierstekorrel tot een hoenderei , de rand van dezen knobbel is niet zelden door eene fijne sleul of spleet van de oppervlakte van het been gescheiden, zoodat de exostosis zwamachtig, aan eenen korten steel is gehecht. Hare oppervlakte is steeds glad en als het ware gepolijst; hare kleur is witter dau die van het been, waarop zij zit; hare zelfstandigheid is van haren oorsprong af compact en van mindere en naauwer mergkanaaltjes en beenligchaampjes dan het normale beenweefsel voorzien. De sponsachtige exostosis ontstaat, volgens rokitansky,

uit eene omschrevene loswording (rarefactio) van het beenweefsel (osteoporosi s) en stelt een gezwel van eeltachtig maaksel daar, dat'vol beenmerg is en van eene vastere laag, als schors, die zich in de cortieale zelfstandigheid van het been voortzet, omkleed. Volgens engel is echter de wijze van ontwikkeling dezer exostosis in verschillende gevallen verschillend en is de zoogen. rarefactie van het been altijd een gevolg van een voorafgaand ziekteproces. Vele sponsachtige exostoses zijn verbeende ontstekingsproducten (druipsteenachtige osteophyten. aan de gewrichtsuiteinden der beenderen), die door het ziekelijk ontaarde beenvlies gevormd, vast met het been vereenigd zijn geworden. Andere zijn schaalvormige, nieuwe beenproducten, die zich rondom eene heterogene massa ontwikkelden, welke in het been gevormd was (somtijds reeds gedurende het leven,

Sluiten