Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die naar liet drukkende gtezwel is toegekeerd, nooit een nieuw voortbrengsel , maar altijd de oude schors.

Bij belangrijker drukking vertoont zich de detritus aan dunne en platte beenderen, als eene eenvoudige doorboring van het been, waarbij de randen der opening glad en afgeslepen zijn, in dikkere, sponsachtige beenderen daarentegen, als eene ruwe, door ontblooting der sponsachtige zelfstandigheid (na het laagsgewijs verloren gaan der beenschors) ontstane plek; en aan dikke, harde beenderen, als eene afknaging der schors, na verlies van hare oppervlakkige laag.

Drukking van eene niet zeer vaste, maar slechts los te zamenhangende massa (zoo als: gestremd exsudaat, tuberkels, weeke kanker) veroorzaakt, volgens engel, eene oppervlakkige atrophie, bij welke de beenschors eene, als ware het, door bijtende zuren te weeg gebragte afknaging ondergaat, of de beenschors is geheel verloren gegaan, en het sponsachtige weefsel ligt bloot. Hierbij hangt het, volgens engel , niet van de hoedanigheid van het drukkende voorwerp af, maar van het maaksel van het gedrukte been, in welken vorm het verlies van zelfstandigheid zich vertoonen zal (b. v. in de wervelen honiggraatvormig; volgens rokitanskï is deze vorm alleen aan de scrofuleuse caries eigen).

De detritus van binnen af vertoont zich op gelijke wijze, als de uitwendige; maar er gaat veelvuldiger eene uitzetting van het geheele been mede gepaard. Is de drukkende massa compact, dan schijnt liet been naar alle zijden uiteen gedrongen, en vormt eene holte, van compacte , gladde en dunne wanden omgeven, die misschien hier en daar glad- en scherprandige openingen bevat. Is de drukkende massa daarentegen los, dan vormt zich, nu eens met, dan eens zonder uitzetting van het been of een eenvoudig verlies van sponsachtige zelfstandigheid en somtijds van een groot gedeelte der schors, of, ten gevolge van het nederzetten eener nieuwe massa in de holten der sponsachtige zelfstandigheid, eene osteoporosis.

y) Beenatroph ie ten gevolge van afknaging doormiddel van macererende en bijtende vloeistoffen, die het been omspoelen, vooral van etter en ichor. Wordt eene dikke, compacte beenmassa daardoor aangegrepen, dan komt er slechts eene oppervlakkige afknaging tot stand; het sponsachtige weefsel daarentegen, wordt gemakkelijk van de vloeistof doordrongen en de oplossing gaat dan langzamerhand door het geheele been voort, dat in den hoogsten graad poreus en broos wordt.

3) Slyper- en atropliie van liet kraakliecnweefsel.

«) De hypertrophie der kraakbeenderen komt, als ware, wel alleen in het verbeenend kraakbeen, bij rhachitismus, en misschien in de gewrichtskraakbeenderen, bij ontsteking van het onderliggende been voor, daarentegen kan er ligtelijk verdikking der kraakbeenderen door ziekelijke ontaarding van hun weefsel, ten gevolge van ontsteking en uitzweeting in de naburige deelen (perichondrium, beenderen, synoviaalvlies), tot stand komen (I. bl.395).

b) De atrophie der kraakbeenderen is volstrekt geen zeldzame ziektetoestand en het gevolg: van drukking (b. v. van de tusschenwervelkraakbeenderen bij verkrommingen der ruggegraat), of van gestoorde en opgeheven voeding der kraakbeenderen, bij eeltachtige ontaarding van het perichondrium, bij verwoesting, atrophie en sclerosis van het naburige been, of van oplossing in etter, ichor

Sluiten