Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

S) Vetlever, levervctzach t, (hepar adiposum, pimelosis s. steatosis, malctxis hepatis) vertoont zich gewoonlijk in den aanvang van haar ontstaan als hyperaemische, daarna als muskaatnootlever en biedt eindelijk in hare volkomene ontwikkeling de volgende anatomische kenteekenen aan: de omvang der lever is met een voorheerschend toenemen in breedte en platheid vergroot, de randen zijn dikker en eenigzins afgerond; het wei vliezige omkleedsel is steik gespannen, glad, glinsterend en doorschijnend; het bleeke, bloedledige parenchijma laat zich meer of minder weck deegachtig aanvoelen, de vingerdruk laat eene blijvende groeve na, de kleur van het weefsel is geel roodachtig of mat geelachtig wit, goud- of wasgeel, bruingeel. — Eene verscheidenheid der vetlever is de talk- ol waslever, die zich van de eerstgenoemde door eene meerdere consistentie,' drooge broosheid en eene op gele was gelijkende kleur onderscheidt. — Men ontdekt het vetgehalte der lever door het aanhangen van een smerig vet aan een droog en eenigzins verwarmd mes bij het doorsnijden der lever, of door het verhitten van een stuk lever op papier boven eene wijngeestlamp. Somtijds is het vet alleen op sommige plekken voorhanden, dan is het meestal in de nabijheid der oppervlakte afgezet en vertoont zich in den vorm van onregelmatig begrensde, bleeke vlekken. Nu eens verdringt het vet, op eene duidelijk zigtbare wijze, het geheele leverweefsel, dan eens ondekt men liet slechts bij een naauwkeurig en wel mikroskopisch onderzoek, vooral van hypertrophische levers. De vetlever komt inzonderheid bij tuberkellijders voor (echter niet alleen bij Jongtuberkelzucht, maar ook bij tuberkelzucht van andcie organen), bij algemeene vetzucht (I. hl. 28), bij personen die zich in het gebruik van sterke dranken en sterke toespijzen te buiten gaan, bij dronkaards, en somtijds ook na secundaire syphilis, kanker en rhachitismus. Somtijds gaat de vetlever in de korrelige lever (vooral bij dronkaards) over en brengt dan eerst ascites en vergrooting der milt te weeg.

t) Speklcver, bestaat in de nederzetting van eene vastere, grijsachtige, doorschijnende, op spek gelijkende, ol spekkig-geleiachtige massa (I. hl. 130) in het parenchyma der lever, welke massa uit eene plastische (albumineuse of librineuse) zelfstandigheid bestaat en of de geheele lever doordringt, of in niet scherp begrensde witachtige knobbels (spekknobbels) voorkomt. De lever is daarbij in omvang toegenomen, platter en breeder geworden; haar omhulsel is sterk gespannen, het weefsel van eene deegachtige, een weinig meer tegenstand biedende en meer elastische consistentie, van eene grijze of grijsroodachtige kleur, en van eene gladde, bijna homogene, op spek gelijkende, glinsterende doorsnede; het bloed der poortader is in hoeveelheid vermeerderd, bleekroodachtig en waterig. Somtijds is bij deze spekachtige nederzetting ook nog te gelijk liet vetgehalte der lever vermeerderd, hetgeen zich door een matig vetbeslag op het mes verraadt. — Deze spekachtige lever (die engel als het tweede tijdperk der hypertrophie beschouwt; zie II. hl. 88) komt met constitutioneel lijden der vegetatie, vooral bij scrofulosis, rhachitismus, uright'scIic ziekte, verouderde syphilis, mercunaal-

Sluiten