Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

y) Atrophie der lever met (verkregene) kwabvorming, bestaat in eenen meerderen of minderen graad van afneming der lever in omvang en massa, verbonden met meer ol minder talrijke, oppervlakkige of dieper indringende sleuven op de oppervlakte, zoodat de lever in talrijke grootere of kleinere kwabben verdeeld is. Leze kwabvorming kan zeer verschillende oorzaken en graden hebben. In de eerste plaats brengt reeds eene eeltachtige verdikking van het weivliezige leverbekleedsel ten gevolge der hepatitis velamentosa, vooral wanneer zij zich tot het onderliggende parenchymateuse celweefsel uitstrekte, eene oppervlakkige likteekenachtige intrekking der leveroppervlakte mede. — Eene afzonderlijk staande groefvormige verdieping (secundaire atrophie) der lever ontstaat uit de verschrompeling van een absces (I. bl. 44) of van eene apoplectische holte (II. bl. 365). — Diepere insnoeringen worden misschien, even als bij de interstitiële pneumonie (I. bl. 325) ten gevolge van ontsteking van het parenchymateuse celweefsel met een fibrineus, calleus veranderend en zamentrekkend exsudaat voortgebragt. — Den hoogsten graad van kwabvorming brengt echter de obliteratie en verdorring van de levertakken der poortader, een gevolg der zoogen. adhaesive en oblitercrende pylephlcbitis (I. bl. 290) te weeg. Daarbij valt namelijk het parencliyma naar de geslotene vaten in , en er ontstaan dien ten gevolge meestal tamelijk lange, in verschillende rigtingen voortloopende en elkander overkruisende, dikwijls zeer diepe insnijdingen, rondom welke het ongeschondene, somtijds met vet geïnfiltreerde parenchyma, in den vorm van groole, vlak ronde heuvels uitpuilt. Een' dergelijken toestand moet ook de obliteratie en verdorring der galwegen, die echter een zeldzaam verschijnsel is, kunnen veroorzaken.

tf) Korrelige lever (cirrhosis, scirrhus, verharding, gegranuleerde atrophie der lever). In hare volledige ontwikkeling biedt deze atrophie, volgens rokitansky , de volgende verschijnselen aan: de lever is aanmerkelijk in omvang afgenomen; hare randen, waar de tering in begint, zijn zoodanig verdund, dat zij eindelijk eenen uit een cellulo-fibreus weefsel, tusschen twee verdikte weivliesplaten, bestaanden zoom vormen, die gemakkelijk naar boven of onderen kan omgevouwen worden. De linker leverkwab is dikwijls tot op een zeer klein, plat, celachtig vezelig aanhangsel verteerd, en het gehecle ingewand wordt dan nog slechts door het dikke, kogelachtige ligchaam der regter kwab gevormd. Op de oppervlakte der lever komen heuveltjes (even als de koppen van schoen spijkers) te voorschijn, de zoogen. levergranulatiën, die van eene gelijke of ongelijke, geringe of aanmerkelijke grootte zijn, en aan de leveroppervlaktc een fijn- of grof-, gelijk- of ongelijkvormig klierachtig aanzien geven. Tusschen deze heuveltjes is het leverbekleedsel witachtig troebel, peesachtig verdikt, als het ware likteekenachtig ingetrokken, zoodat de granulaties daardoor beperkt, van elkander gescheiden, ja zelfs hier en daar halsvoimig ingesnoerd worden. De lever heeft bij eenen zekeren graad van elasticiteit eene in het oogloopende vastheid, ja zelfs hardheid en

Sluiten