Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mie; in den aanvang vertoonen zij insgelijks eene losse consistentie en donker roode kleur van het miltweefsel, later daarentegen, anaemie en verbleeking met meerdere vastheid van hetzelve, zonder twijfel ten gevolge van de stremming eener afgezette plastische stof. De grootte, welke de chronische miltgezwellen bereiken kunnen, is somtijds buitengewoon (167 lang, 4-7" dik, 20 en meer ponden zwaar), zoodat de milt dikwijls tot beneden den kam van het darmbeen reikt en de geheele linker helft der buikholte inneemt. Daarbij heeft zij afgeronde, stompe randen, is hard en vast, elastisch of houtachtig resistent, vertoont eene gelijkmatige, donker-, bruin- of bleekroode, geel-roodachtige, glinsterende en drooge doorsnede en is bloedledig. Dikwijls is zij door pseudoligamenten aan omringende deelen verbonden en is haar fibreus omhulsel verdikt. — Deze aanzwellingen komen voor: ten gevolge van mechanische stases(door lever-, long- en hartziekten), ten gevolge van onderdrukking der menstruaal- en haemorrhoïdaalvloeijing; bij de tusschenpoozende koorts- en mercuriaaldyscrasie; bij rhachitismus en verouderde syphilis.— Het cachectische miltgezwel komt met de spekachtige ontaarding der lever en nieren overeen, met welke het ook dikwijls vereenigd voorkomt. De milt is daarbij vast, maar toch eigenaardig bros, donker violet, blaauwrood tot in het bleekroodachtige van kleur, de doorsnede is zeer glad, van eenen matten, spekkig-wasachtigen glans, het bloed der milt bleek en waterig.

Vele zwellingen der milt berusten, volgens rokitansky, niet zelden, behalve op de gelijktijdige liyperaemie, op de ontwikkeling van zekere ligchaampjes, die geheel iets anders zijn dan de MALPiGHi'sche ligchaampjes, welke men in de milt van vele plantetende dieren aantreft. Zij stellen giijsroodachtige of grijsachtig witte, weiachtig troebele, weeke, vervloeijende, blaasvormige ligchaampjes , van de grootte van zand- tot gierstekorrels daar, die in de pulpeuse zelfstandigheid der milt gezeteld zijn. Zij komen bij eene ziekelijke ontwikkeling van het lymphatische vaatstelsel in den onderbuik, inzonderheid met een sterk ontwikkeld stelsel van slijmblaasjes in het darmkanaal (I. bl. 336) en turgescentie der darmscheilsklieren, bij kinderen en jonge personen voor, en duiden eene overwegende hoeveelheid lympha met eene qualitative verandering derzelve aan. Daarom treft men ze ook zoowel bij het acute als het chronische miltgezwel aan; overigens waclite men zich dezelve met tuberkelgranulatiën te verwisselen.

NB. Verder kan de milt, hoewel zelden, door zwelling worden aangedaan: door ontsteking met abscesvorming (1. bl. 367); door metastatisc.be nederzettingen bij pyaemie (I. bl. 212); door tuberkelvorming (I. bl. 185); en hoogst zelden door kanker (I. bl. 202) en sereuse cysten (II. bl. 65).

b) Atrophie der milt vertoont zich in den hoogsten graad bij algemeenen marasmus senilis. Deze ouderdomsatrophie heeft de volgende kenmerken: de milt is rondachtig, ongemeen klein, soms van de grootte eener walnoot, en of slap, week en ligt verseheurbaar, met een gerimpeld, troebel en verdikt omhulsel, en van eene roestbruine, wijnmoergele, weeke, brijachtige zelfstandigheid; of het weefsel is hard en taai, donkerrood, bijna zwart, droog en bloedledig. Niet zelden is de miltkapsel kraakbeenig verdikt of verbeend en vertoonen zich in het miltweefsel verbeende slagaderver-

Sluiten