Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

taaiheid, dan weder met verslapping en murwheid van het weefsel, of met eene langzame verandering van hetzelve in vet gepaard gaat, is een gevolg van den ouderdom of wordt door ontsteking en hare gevolgen (I. bi. 374) te weeg gebragt.

b) De opslorpende klieren vindt men somtijds, vooral in kinderlijken leeftijd, bij rliachitismus, tuberculosis en algemeene syphilis, door het geheele ligchaam hypertrophisch ontwikkeld. Deze hypertrophie doet in jeugdige voorwerpen (bij den lymphatischen habitus) dikwijls bij voorkeur de klieren van den onderbuik aan, en paart zich veelvuldig: aan hypertrophie der milt, der schild- en thymusklier, der hersenen en van den kliertoestel in het darmkanaal. — Vergrootingen der lymphatische klieren komen tot stand: door ontsteking en infiltratie derzelven met ontstekingsproducten (I. bl. 299), door nederzetting van dyscratische voortbrengselen, zoo als bij typhus (I. bl. 165), bij tuberkelzucht (I. bl. 179), bij kanker (I. bl. 199). De darmscheilsklieren zijn het meest van alle aan zwelling onderhevig, ja zij komen zelfs in eenen toestand van congestiven turgor (acute zwelling) voor bij de meeste acute ziekten des bloeds (vooral bij typhoïde toestanden), verder bij acuut verloopende krampen en in het algemeen bij de meeste koortsachtige ziekten der kinderen. Gewoonlijk is daarbij ook de kliertoestel deidarmen, vooral van het dunne darmkanaal (I. bl. 335) gezwollen.— De atrophie der opslorpende klieren komt primair in hoogen leeftijd, bij algemeene uittering en na uitputtende ziekten (vooral na acute ziekten des bloeds, in welke de klieren eene acute zwelling ondergaan) voor. De klieren verteren of geheel en al tot op een wit, teeder, celachtig weefsel, of zij vertoonen zich verkleind, taai, roest bruinachtig en blaauwgrijs van kleur, bloedledig. Inzonderheid zijn de darmscheilsklieren na typhus (I. bl. 165) aan eene gevaarlijke tering onderhevig. Secundaire atrophie der lymphatische klieren ontstaat uit ontsteking, ettering, necrosering (II. bl. 5) en drukking.

c) De schildklier is dikwijls aan eene vermeerdering van omvang onderhevig, die of snel tot ontwikkeling komt en somtijds spoedig voorbijgaat (bij eenen congestiven en ontstekingachtigen toestand), of blijvend is en allengs toeneemt. Deze laatste doet de geheele klier aan, of eene enkele kwab of slechts een gedeelte derzelve, en kan berusten: op de vorming van cyslen (II. b). 66), spekachtige infiltratie (I. bl. 130), of op kankerachtige ontaarding (I. bl. 202). Haar mate van haren omvang en plaatsing oefent de vergrooting der schildklier eene meer of minder nadeelige drukking op de luchtpijp uit (astlima thyreoidcum). —De thymusklier vertoont zich soms bij pasgeborenen onregelmatig vergroot en vormt dan zij delingsche, plat ronde, dikke kwabben, die aan beide zijden tot in de achterste middelvliesholte reiken, of zij stelt eene meer naar beneden gerigte en zich tongvormig op het hartezakje, boven het regter hartoor uitstrekkende massa daar. Deze hypertrophie is nagenoeg altijd inet eene hypcrtrophische ontwikkeling van het opslorpende vaatstelsel, met rliachitismus en hersenhypertrophie (astlima thymicum ?) verbonden. Menigmaal wordt de teruggang (involutie) dezer

Sluiten