Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kraakbeenderen veroorzaakt worden. — Aan het strottehoofd en het tongbeen komen ook, hoewel hoogst zelden, ontwrichtingen voor.

De longen ondergaan velerlei gedaanteveranderingen ten gevolge van gedeeltelijke uitzettingen (bij emphyseem), van atrophie, drukking (II. bl. 143) en verschrompeling van haar weefsel (II. bl. 99), alsmede van cicatrisatie, na verlies van zelfstandigheid en zamentrekking van ontstekingachtige voortbrengselen. Zoo wordt ook hare ligging, wanneer wij de uitzakking door borstwonden daarlaten, door verdringing naar verschillende rigtingen veranderd: door de opgezette buikholte en vergroote buiksingewanden, door het uitgezette hartezakje en het hypertrophische hart, door aneurysmata, ziekelijke voortbrengselen en ophoopingen van verschillenden aard in de pleura. Door deze laatstgenoemden wordt de long altijd, indien zij niet aan het borstvlies der ribben is vastgegroeid, bovenen achterwaarts naar de ruggegraat verdrongen. Zoo ook trekt zij zich, bij hare verschrompeling (obsolescentie), naar haren luchtpijptak terug.

4) Gedaante- en plaatsverandering der lever.

De afwijkingen in de gedaante der lever zijn of aangeboren (ronde, embryonale, kogelvormige, breede en platte, drie en vierhoekige lever) of verkregen. De laatsten worden gedeeltelijk door drukking van buiten (ryglijven, knellende banden der onderkleederen) of van binnen al (misvormde borstkas, exsudaat, vergroote naburige organen, gezwellen) te weeg gebragt en bestaan in afplatting, indrukking enz.; deels zijn zij ook de gevolgen van weefselontaardingen. liij de laatstgenoemden, die ook in den vorm van hyperen atrophie (II. bl. 88) voorkomen, is de lever: of dikker (zoo als bij de hyperaemische, roode hypertrophische en atrophische lever) ol platter (bij de vet- en speklever, gele atrophie); hare randen zijn verdikt en afgerond (bij de infiltratiën) of verdund en scherp (bij de korrelige lever); de oppervlakte gekwabd (II. bl. 92) of korrelig (II. bl. 92). &

Plaatsveranderingen der lever, hare uitzakking bij buikwonden en groote navelbreuken daargelaten, komen binnen de buikholte tot stand: door afzakking (vooral der regter kwab), bij hijpertrophie, en, wanneer zij naar beneden gedrukt wordt, door pleuritisch exsudaat, pneumo- en bydrothorax, eene emphysemateuse long, rijkelijk exsudaat in het hartezakje, door verdringing vooral naar boven, door gas of water in de buikholte, peritoneaal exsudaat, vergroote buiksingewanden en gezwellen, ten gevolge van misvormingen der borstkas en van het bekken.

5) Gedaante- en plaatsveranderingen der spijsverteringsvverktuigen.

De slokdarm en somtijds ook de keelholte worden verplaatst: door verkrommingen der ruggegraat, door vergrooting der schildklier, aneurijsmata, gezwellen enz. — De gedaante dezer deelen ondergaat veranderingen, bij vernaauwing en verwijding (II. bl. 128).

Sluiten