Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een hoorn i ge baarmoeder [uterus unicornis), nu eens eene regter, dan eene linker, vormt zich door de verdere ontwikkeling van een der zijdelingsche rudimenten, en stelt (als ongepaarde helft van den uterus bicorrtis), een cylindrisch of klosvormig, naar buiten omgebogen ligchaam daar, dat van eene tuba en eenen eijerstok voorzien is, de gewone lengteafmeting, maar eene veel geringere breedte heeft, een minder groot ligchaam, een' onevenredigen hals, die in de middellijn valt, een klein scbeedegedeelte bezit, en in eene naauwe sclieede inmondt; aan de zijde, waar de baarmoeder ontbreekt, is de breede baarmoederband zeer breed, en bevat gewoonlijk, behalve het rudiment van een' tweeden hoorn van den uterus, ook eene aanduiding van tuba en eijerstok.

Tweehoornige baarmoeder (uterus bicorrtis), vormt zich door de ontwikkeling der beide zijdelingsche rudimenten, die van onderen vroeger of later te zamensmelten en zoodoende een ligchaam van verschillende grootte daarstellen, dat van boven (onder eenen meer of minder scherpen hoek) in twee grootere of kleinere horens (die van eijerstokken en fallopiaansche buizen voorzien zijn) uitloopt. De scheede is eenvoudig of gespleten.

Tweehokkige baarmoeder (uterus bilocularis), hier is de baarmoeder, die zich uitwendig volkomen normaal voordoet, van binnen door een regtstandig tusschenschot van verschillende lengte, dat somtijds alleen in de holte van het ligchaam aanwezig is, somtijds ook tot aan den uitwendigen baarmoedermond zich uitstrekt, meer of minder volkomen in twee vakken verdeeld. De scheede is eenvoudig of gespleten.

Scheefheid der baarmoeder (obliquitas uterï) moet men niet met de scheeve ligging verwarren; zij bestaat daarin, dat de baarmoedermond niet in alle rigtingen even ver van het middelpunt des bodems verwijderd is, zoodat de loodlijn uit den bodem getrokken niet door den mond heengaat, die in de eene of andere rigting hooger geplaatst is. Deze scheefheid schijnt nimmer aangeboren te zijn, maar zich of in de zwangerschap, ten gevolge eener ongelijkmatige uitzetting of ontwikkeling van den wand der baarmoeder, te vormen , of het uitvloeisel eener ongelijkmatige zamentrekking en verkleining na de baring te zijn. Somtijds vindt men eene harde plek in het ligchaam ; niet zelden ondergaat de scheeve uterus ook eene zijdelingsche ombuiging.

Ombuiging der baarmoeder naar voren of achteren (cmtro- en retroflexio uteri), waarbij hare lengteas eene bogt maakt, en hare uiteinden, bij den lioogsten graad van het gebrek (hoefijzervorm der baarmoeder), meestal beide naar den uitgang van het bekken gekeerd zijnde lengteas der baarmoeder kruist zich hier dus niet met die van het bekken zooals dit bij de antro- en retroversie plaats heeft. De ombuiging heeft bijna altijd naar voren plaats, (antro/lexio), hoogst zelden naar achteren (retroflexio), en is meer of minder volkomen, zoodat de baarmoeder de gedaante eener retort of van een' hoefijzer verkrijgt.

De plaatsveranderingen der baarmoeder zijn: de scheeve ligging (sitas obliquus uteri, voor-, achler- en zijwaartsche overhelling), de voor-, achter- en zijwaartsche kanteling, de inversie, de opstijging, verdraaijing, uitzakking en de breuk. — De achterwaartsclie kanteling [r et rover sio) is de meest gewone plaatsverandering der Laarmoeder, die zoowel bij zwangcren als niet zwangeren wordt waargenomen. Zij bestaat daarin, dat de bodem zich naar achteren (en daarbij tevens meer of minder naar beneden), naar de uitholing van het heiligbeen keert en de baarmoedermond naar voren tegen de schaambeensvereeniging verplaatst is. — Bij de vooroverkanteling [ante versio) is de bodem voorwaarts naar het schaambeen, de baarmoedermond achterwaarts naar het heiligbeen gekeerd. — De omkeering (inversio) bestaat daarin, dat de binnenste oppervlakte

Sluiten