Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

omringende spieren (gewoonlijk de buigspieren) na verwoesting der gewrichten, banden en beenuiteinden. Volgens rokitansky komt er ook somtijds eene verplaatsing van het gewrichtslioofd (vooral van het scheenbeen) door de afscheiding van eene groote hoeveelheid exsudaat in het gewricht tot stand.

De scheidingen van den zamenhang in het beenstelsel zijn de beenwonden en beenbreuken. Deze laatsten zijn onvolkomen (splijtingen, scheuren) of volkomen, door middellijk of onmiddellijk geweld veroorzaakt, eenvoudig of gecompliceerd, met of zonder verplaatsing der beenuiteinden. Do genezing der fracturen komt op de volgende wijze tot stand: na gedeeltelijke opslorping van het extravasaat, treedt er eene (reactive) ontsteking, eerst in de zachte deelen, rondom de breuk, iets later in het merg- en beenvlies, eindelijk in de zelfstandigheid van het gebroken been te voorschijn, cn deze ontsteking brengt een vezelstofexsudaat te weeg, dat tot een calleus, verbeenend weefsel bewerktuigd wordt. Zoo zijn dan de beenuiteinden aanvankelijk in een door calleus exsudaat gevormd gezwel bevat, waarvan dat gedeelte, dat buiten het periosteum gelegen en door de ontstokene, zachte deelen in den omtrek uitgezweet is, eenen reeds vasteren, calleusen, later ook verbeenenden ring of een kapsel rondom de beenuiteinden vormt (d. i. voorloopige callus); terwijl het andere gedeelte van het exsudaat, dat binnen het periosteum gelegen, en van het been zelf (van het been- en mergvlies en van de beenzelfstandigheid) uitgegaan is (de grondlaag van den deiinitiven callus, substantia intermedia) nog minder bewerktuigd en weeker is. Hoe meer zich het product der beenontsteking (het exsudaat binnen het periosteum) tot blijvenden callus bewerktuigt, en eindelijk door zijne verbeening de zamensmelting der uiteinden tot stand brengt, des te meer gaat de voorloopige callus in ontwikkeling terug; hij wordt arm aan vaten, digter, kleiner, atrophisch en verdwijnt eindelijk geheel. Daarentegen wordt er nu eene mergholte in het blijvende beenweefsel gevormd, dat gewoonlijk vaster, digter en minder broos van weefsel dan de normale beenzelfstandigheid is. Ongunstige gevolgen van beenbreuken zijn : koudvuur of verettering en verzwering dor zachte deelen rondom de breuk, caries en necrosis der beenuiteinden, bewerktuiging van het fibrineuse exsudaat der reactive ontsteking tot een celachtig of vezelig weefsel, in de plaats van verbeenenden callus en kraakbeen, achterwege blijvende of onvolkomene verbeening van den callus, woekerende callus, wanstaltigheid van het genezen been.

Het abnormale (valsche, nieuwe) gewricht (pseudartlirosis) bestaat in het nablijven eener meer of minder belangrijke bewegelijkheid op de plaats der breuk. Deze kan op tweeërlei wijze ontstaan: of door de onderlinge verbinding der beide beenuiteinden door middel van een celachtig of vezeligkraakbeenachtig weefsel (dus eene soort van synchondrosis), of door de vorming van eenen bandachtigen gewrichfffapsel, die van binnen met een glad, synovia afscheidend vlies bekleed is en de becnuiteinden opneemt, die inmiddels een kraakbeenig bekleedsel ontvangen hebben. In dit, laatste geval ontstaat er derhalve eene op een normaal gewricht gelijkende diarthrosis. —■ Beenbreuken binnen de gewrichtsbanden genezen gewoonlijk onvolkomen, slechts door bandachtige voortbrengselen.

De mechanische scheidingen van den zamenhang in de kraak-

II. 11

Sluiten