Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gesnedene wondoppervlakte uitpuilen), wordt door de zamentrekkingskracht der neurilematische sclieede, het zenuvvmerg eenigzins uitgeperst, en hierdoor , als ook door het plastische exsudaat der reactive ontsteking, komen de beide zenuwuiteinden weder met elkander in aanraking. Op deze wijze kan zelfs de zenuwwerkzaamheid (de vatbaarheid ter geleiding) hersteld worden; ook moet zich de zenuwzelfstandigheid in het ontstekingsproduct, tusschen de uiteinden der zenuw, op nieuw kunnen voortbrengen.

In de stompen van geamputeerde ledematen, zwellen de uiteinden der doorgesnedene zenuwen op, en vereenigen zich grootendeels strikvormig, in eenen gemeenschappelijken, harden, uit likteekenweefsel bestaanden knoop, die met het likteeken der omringende, zachte deelen ineensmelt.

11. Bloed en vaatstelsel.

I.) Riool.

liet bestaan des menschelijken ligchaams hangt van eene onophoudelijke -verwisseling, eene voortdurende nieuwe vorming en afsterving van zijne bestanddeelen, d. i. de stofverwisseling af; haar ophouden is de dood (I. bl. 3). Deze stofverwisseling, die ook de bron der dierlijke warmte is, kan echter alleen dan behoorlijk plaats hebben, wanneer er van de buitenwereld aanhoudend nieuwe en geschikte stoffen (voedsel en dampkringslucht) in het ligchaam worden ingevoerd en aan zijne zamenstcliing gelijk gemaakt, terwijl daarentegen de oude en onbruikbare bestanddeelen van het ligchaam verwijderd worden. Eene eerste voorwaarde van zulk eene voortdurende vernieuwing van het ligchaam is, dat het, gelijk het uit vloeibare stoffen ontstaat, ook van eene vloeistof (voedingsvloeistof, blasteem) doortrokken zij, en dat alles wat het in zijn zamenstel moet opnemen vooraf vloeibaar gemaakt worde. De drager dezer vloeistof, de bron der warmte, het middelpunt van het geheele leven, de gemeenschappelijke voedingsbron van alle organen (daar het de stoffen bevat, waaruit de organen gevormd en mede gevoed worden) is het bloed, dat bij gevolg in de eerste plaats eene regelmatige opneming en uitscheiding van stof (vernieuwing en zuivering) noodig heeft. De eerste bestaat hoofdzakelijk in het opnemen van zuurstof, chylus, lympha en water; de laatste in het afzetten der zoogen. uitscheidingsproducten, zoo als pis, gal, huid- en longenuitwaseming. Opdat nu het bloed zich zeiven aanhoudend zou kunnen vernieuwen en zuiveren en tevens de stofverwisseling der ligchaamsdeelen behoorlijk onderhouden, wordt het, met behulp van het hart, de vaten en de ademhaling, door het geheele ligchaam rondgevoerd, zoodat het in eene onophoudelijke beweging van het hart naar de organen toe (door de slagaderen) en van de organen naar het hart (door de aderen) terugstroomt; d. i. de bloedsomloop, gedurende welken het bloed derhalve in eene aanhoudende metamorphose verkeeren moet.— Het slagaderlijke bloed moet rijker aan plastische bestanddeelen (rijker aan strembare vezelstof?) en aan zuurstof (rooder) dan het aderlijke bloed zijn; dewijl het eerste, naar de organen toestroomende, eerst in derzel-

Sluiten